Dominicus Gent
Witte Donderdag
2 april 2026
Welkom op deze bijzondere avond, ook welkom aan allen die van elders met ons meevieren. We zitten vandaag nog zichtbaarder dan anders aan die 2000 jaar oude tafel en verwelkomen Gods licht bij dit samenzijn.
De vier evangelisten schrijven best veel over deze dag.
Eerst over de veelzeggende Pesach-maaltijd waar Jezus en zijn leerlingen de bevrijding uit Egyptische slavernij herdenken. Die maaltijd verdiept en transformeert zich tot een samenzijn van dienstbaarheid en zelfgave.
Nadien bidt Jezus op de Olijfberg… al slagen de meegekomen leerlingen er -na dat feestmaal?- niet in wakker te blijven. Judas, die al vroeger de maaltijd verliet, komt naar Jezus toe en kust hem… Dat blijkt het sein voor Jezus’ arrestatie. In het tumult wordt een oor afgehakt, slaan leerlingen op de vlucht en een jongeman die wél wil blijven verliest zijn laatste kledingstuk wanneer hij zich losrukt uit soldatenhanden. Jezus wordt weggebracht. Stiekem volgt Petrus het gezelschap maar hij ontkent -drievoudig- dat hij bij Jezus hoort…
We brengen die laatste dag in herinnering door de gebeurtenissen zingend in ons op te nemen
Toen Jezus in zijn uur gekomen was
Toen Jezus in zijn uur gekomen was
om deze wereld te verlaten,
heeft hij ten einde toe ons liefgehad.
De veelgeliefde zoon van God de Vader
wordt een slaaf die onze voeten wast,
wordt een slaaf die onze voeten wast.
Toen Jezus met zijn vrienden maaltijd hield,
nam hij het brood, nam hij de beker.
Hij heeft zijn leven aan ons uitgedeeld,
zijn bloed voor deze wereld prijsgegeven –
teken van de geest die hem bezielt,
teken van de geest die hem bezielt.
Ik ben de wijnstok, heeft hij toen gezegd,
gij zijt voorgoed met mij verbonden.
Ik ben uw waarheid, en ik ben de weg,
ik ben die ben, vergeving van uw zonden;
vrede geef ik u heeft hij gezegd,
vrede geef ik u, heeft hij gezegd.
Toen Jezus naar zijn Vader toe zou gaan,
heeft hij gebeden voor zijn vrienden.
Vader, bad hij, bewaar hen in uw Naam,
mogen zij allen een zijn in de liefde,
dat zij doen wat ik hun heb gedaan,
dat zij doen wat ik hun heb gedaan.
Toen Jezus in de hof gekomen was,
heeft hij in grote angst gebeden,
maar er was niemand die hem antwoord gaf.
Een vriend heeft hem verkocht en uitgeleverd
toen hij in zijn uur gekomen was,
toen hij in zijn uur gekomen was.
T: Huub Oosterhuis – M: Bernard Huijbers
In het Rabbijnse Jodendom bestaat een vorm van literaire exegese -midrasj geheten- die minder uitgewerkte gebeurtenissen of -figuren verkent in bijbelteksten. Met vertellingen vult men teksthiaten of suggereert men antwoorden op vragen die bijbelboeken oproepen.
Ook recentere auteurs waagden zich aan dat genre: denk aan Anita Diamant met ‘De Rode tent’ waar aartsmoeders elkaar vinden, Cor Ria Leeman en zijn prachtig boek over Mozes, jeugdschrijfster Cynthia Voigt over de vriendschap tussen David en Jonathan, E.E. Schmidt over de invloed van Pilatus’ vrouw, … en zo verder.
Vandaag zullen ook wij die verhaaltechniek inzetten om twee mensen in de marge van Marcus’ passieverhaal voor het voetlicht te krijgen: Judas -één van de twaalf dan nog- die Jezus verraadt en een onbekende die bij de arrestatie zijn kleed verliest. Wat valt er via hen te leren over Jezus en onszelf?
Wat als… die Judas veel dichter bij Jezus stond dan wij denken?
Wat als… die naakte man al eerder in beeld is geweest?
We luisteren naar de bijbelperikoop in het oudste Marcusevangelie.
Nadat de leerlingen in de tuin van Getsemane tot driemaal toe in slaap vielen zegt Jezus het volgende….
Evangelie – Mc 14, 41-52
(…) Het is voorbij. Het uur is gekomen; nu wordt de Mensenzoon overgeleverd in de handen van de zondaars. 42Sta op, laten we gaan. Kijk, hij die Mij overlevert, komt eraan.’
43Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas aan, een van de twaalf, en hij had een hele bende bij zich met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten. 44Hij die Hem overleverde, had een teken met hen afgesproken: ‘Die ik zal kussen, die is het. Grijp Hem en zet Hem veilig vast.’ 45Toen hij eraan kwam, ging hij recht op Hem af en zei: ‘Rabbi’, en kuste Hem. 46Ze grepen Hem en overmeesterden Hem. 47Een van de omstanders trok zijn zwaard, sloeg in op de knecht van de hogepriester en hakte hem een oor af. 48Daarop zei Jezus: ‘Alsof Ik een bandiet ben, zo bent u met zwaarden en knuppels op Mij afgekomen om Mij in handen te krijgen. 49Dag in dag uit gaf Ik bij u in de tempel onderricht, en u hebt Me niet opgepakt. Maar de Schriften moeten in vervulling gaan.’ 50Ze lieten Hem allemaal in de steek en vluchtten weg. 51Een jongeman volgde Hem met slechts een linnen doek om het naakte lijf; ze grepen hem vast. 52Maar hij liet de doek achter en vluchtte naakt weg.
Zoals je daarnet hoorde bestaan er naast de bekende evangelies ook andere teksten die -weliswaar een fictieve- maar een hedendaagse aanvullende blik werpen op de beweegredenen en innerlijke strijd van mensen uit het evangelie.
Eén figuur heeft mij altijd bijzonder geïntrigeerd: Judas.
Judas, die toch tot de intieme kring van Jezus’ leerlingen behoort.
Waarom verraadt hij zijn vriend en meester?
Op vele afbeeldingen van het Laatste Avondmaal wordt Judas steevast afgebeeld als een sombere, kwaadaardige man, bijna alsof zijn schuld al van bij het begin vaststaat.
Maar in de roman The Book of Longings van Sue Monk Kidd wordt Judas anders voorgesteld. Niet als iemand die van meet af aan slecht of verraderlijk is, maar als een mens van vlees en bloed, met overtuigingen, twijfels en innerlijke strijd.
Die visie wil ik graag met jullie delen, omdat ze ons misschien laat nadenken over de vraag: waarom maakt Judas uiteindelijk de keuze om Jezus over te leveren?
In de tijd van Jezus staat Judea onder Romeinse bezetting. Veel Joden ervaren dat als een zware onderdrukking. De romanauteur beschrijft Judas Iskariot als een zeloot, afkomstig uit Keriot, een klein stadje in Judea.
Judas is wees en wordt geadopteerd. Zijn stiefmoeder houdt van hem, maar zijn stiefvader staat vijandig tegenover hem .
Toch groeit Judas op met een sterke liefde voor zijn volk — maar ook met een diepe haat tegenover de Romeinse bezet.
Wanneer hij later Jezus ontmoet, sluit hij zich bij hem aan en wordt één van de twaalf apostelen. Hij staat dicht bij Jezus: hij is zelfs de penningmeester en een vertrouweling. Hij luistert naar Jezus’ onderricht, ziet zijn wonderen en merkt hoeveel vertrouwen Jezus geniet bij het volk.
Jezus verkondigt een boodschap van liefde, verzoening en vrede.
Maar bij Judas groeit onrust.
Hij verlangt naar verandering — snel en radicaal. Voor hem gaat de boodschap van Jezus niet ver genoeg en niet snel genoeg. Dat blijkt ook wanneer een vrouw Jezus zalft met kostbare balsem. Judas vindt dat verspilling: dat geld had aan de armen gegeven kunnen worden. Maar Jezus antwoordt dat de vrouw goed heeft gehandeld, als voorbereiding op zijn begrafenis.
Voor velen zijn de Romeinen een doorn in het oog. Voor Judas is er uiteindelijk maar één oplossing: een opstand, een gewapende strijd om de Romeinen te verdrijven.
Langzaam groeit bij hem het besef dat zijn verlangen naar snelle verandering botst met de vreedzame weg van Jezus. En zo ontstaat er een pijnlijke tweestrijd.
Aan de ene kant staat zijn vriend Jezus, voor wie hij genegenheid en respect voelt.
Aan de andere kant staat zijn ideaal: zijn volk bevrijden van het Romeinse juk.
Misschien had Judas in Jezus eerst een politieke Messias gezien.
Misschien werd hij teleurgesteld toen Jezus die rol niet opnam.
Hoe sterk moet een overtuiging zijn, wanneer iemand zover gaat dat hij een geliefde vriend verraadt?
Uiteindelijk neemt Judas contact op met de hogepriesters. Hij doet hen een voorstel: dertig zilverlingen — de prijs van een slaaf — in ruil voor Jezus. Een kus zal het teken zijn waarmee hij hem aanwijst.
Het doel heiligt de middelen, denkt hij misschien.
Maar die keuze brengt diepe pijn met zich mee. Niet alleen voor Jezus, maar ook voor al die mensen die hoop hadden gevonden in zijn woorden en daden. Zij zien hem gearresteerd worden, lijden en uiteindelijk sterven aan het kruis.
Judas zelf kan met zijn daad niet verder leven.
Hij beseft dat hij een verkeerde keuze heeft gemaakt.
En uiteindelijk kiest hij ervoor uit het leven te stappen.
Zingen wij het lied : O Heer God, erbarmend genadig.
Zingen we als genade voor allen die in het leven een verkeerde keuze maken en beseffen dat ze geen stap achteruit kunnen zetten. Heb erbarmen met ons God.
O heer God, erbarmend, genadig, lankmoedig
O Heer God
erbarmend genadig lankmoedig
rijk aan liefde rijk aan trouw
bewarend liefde
tot het duizendste geslacht.
Na de roman die Judas wil begrijpen, maken we kennis met een onbekende.
Een jongeman volgde Hem met slechts een linnen doek om het naakte lijf; ze grepen hem vast. Maar hij liet de doek achter en vluchtte naakt weg. (Mc 14, 51-52)
Alleen Marcus schrijft over deze jongeman. Bij bijbeldeskundigen vind je grofweg twee verklaringen. Zij die hem zien als een symbolische voorafbeelding van de in het wit geklede man bij Jezus’ graf twee hoofdstukken verder. En zij die een bestaand personage vermoeden, waarbij vooral naar Marcus gekeken wordt die zichzelf binnensmokkelt op dit cruciaal moment – een beetje zoals ook auteur Aspe in elke aflevering van de gelijknamige politiereeks een figurantenrol speelt.
Maar…, wat als die onbekende jongeman alsnog een békende van Jezus is?
Wat als het om die rijke jongeling gaat die een evolutie heeft doorgemaakt?
In tegenstelling tot de naakte man -waarover alleen Marcus schrijft- komt de rijke jongeman bij de drie synoptici voor in identieke setting: onmiddellijk na de perikoop die kinderen centraal stelt en vlak voor de passage waar Jezus de toegang tot het Rijk Gods voor een rijke vergelijkt met de kameel die onmogelijk door het oog van een naald kan.
De jongeman wil graag Jezus’ volgeling zijn, houdt zich al levenslang aan de geboden en verboden en vraagt wat hij nog meer kan doen…maar hij keert bedroefd huiswaarts want is niet toe aan de verkoop van zijn vele bezittingen. Echter … bij Marcus staat een opmerkelijke tussenzin die de twee andere synoptici niet hebben overgenomen: Jezus keek hem liefdevol aan…(Mc 10, 21) Marcus heeft het over een bijzondere ‘klik’ tussen de rijke jongeling en Jezus…
Kan een ontmoeting van dit kaliber, kan een ontmoeting met zo’n liefdevolle ‘klik’ verandering in gang zetten?
Dat is wat Michel van der Plas uitzoekt. Destijds verliet deze dichter het seminarie omdat hij moest kiezen tussen priesterschap en schrijverschap…
Wanneer Van der Plas orde aanbrengt in zijn vele schrijfsels zegt hij daarover: “Ik ontdekte verbindingslijnen en een samenhang die me verbaasden. Dit geldt in sterke mate voor de manier waarop een verloren jeugdideaal zich later toch steeds weer is blijven manifesteren”.
Er is een gedicht waarin hij op zoek gaat naar iemand die hem dichter bij Jezus brengt, iemand die een bemiddelaar zou kunnen zijn tussen toen en nu, tussen een diep verlangen naar ‘een goed mens worden’ en de concrete invulling ervan… en hij komt uit bij de rijke jongeling.
DE RIJKE JONGELING
1
Lezend in Marcus, zoekend naar een man
met mijn gezicht en twijfel en verlangen,
een zwervende op wie ik lijken kan,
met wie ik iets van Jezus op wil vangen,
blijf ik haken aan een die hem belaagt,
een rijke door zijn voorspoed opgedreven,
die voor hem op zijn knieën valt en vraagt:
Wat moet ik toch doen om eeuwig te leven?
Niet om het antwoord. Nee, ik ben niet toe
aan het moment dat de rabbi gaat spreken,
ik ben veel te bang voor het wat en hoe, –
ik weet wel beter waarom ik blijf steken:
enkel en alleen omdat ik zie staan:
‘En opeens keek hij hem vol liefde aan.’
2
Ik zou zo graag geloven dat hij later
naar hem teruggekeerd is: in die nacht
dat Jezus in de tuin werd opgebracht.
Een jonge man wilde hem volgen, staat er.
Dat hij toen echt alles had weggegeven.
Want hij ging enkel in een linnen doek
om zijn lichaam naar de meester op zoek.
Het was zijn schuld niet dat ze hem verdreven.
Het laatste wat hij had viel hun in handen.
Naakt sloeg hij op de vlucht. Verder dan daar
kon hij niet volgen. Als een bedelaar.
Ik zie de tranen in zijn ogen branden
terwijl hij rent, tussen de struiken door.
En sinds die nacht ontbreekt van hem elk spoor.
Michael van der Plas – De oevers bekennen kleur
Een geslaagde midrasj die aan het denken zet: hoe een ontmoeting met deze intensiteit -vol liefde aangekeken worden- voor een ommekeer zorgt. Hoe het onmogelijke – de kameel door het oog van de naald- mogelijk wordt voor wie vol loopt van Jezus’ liefde en zich opent voor een ommekeer.
—
Er gaat al vele eeuwen een kracht en dynamiek uit van Jezus’ voorbeeld.
Bij dynamiek hoort uitdaging… en daar zit altijd spanning op: tussen willen en kunnen, denk aan de leerlingen die willen waken met Jezus maar in slaap vallen, tussen het radicalisme van Judas en Jezus’ verbindend weerwerk, tussen idealisme en realisme…
Van der Plas eindigt met ‘sinds die nacht ontbreekt van hem elk spoor’. Dat open einde kan ons op weg zetten in het besef dat Jezus navolgen een levenshouding is die je nooit definitief verwerft maar die altijd opnieuw om keuzes vraagt … En daarvoor hebben we niet alleen die bijbelse fundamenten en Zijn lichtend voorbeeld, maar ook elkaar: als voorbeeld, als supporter, als medestander en -stapper, als bondgenoot.
Lied : Hoe ver te gaan?
Hoe ver te gaan? En of er wegen zijn?
Nooit meer gebaande.
Hoeveel paar voeten zijn zij? Twee, drieduizend.
Nog bijna slaven, vreemden voor elkaar.
Kreupelen, blinden.
Maar met iets in hun hoofd dat stroomt en licht geeft.
De zon zal hen niet steken overdag.
Bij nacht de maan niet.
Zij stoten zich aan stenen. Niemand draagt hen.
Omdat zij willen leven als nog nooit,
angstig te moede
zijn zij gegaan met grote hinkstapsprongen.
Niet hier hun vaderland, en schaamteloos
wagen zij alles.
Soms wordt woestijn oase waar zij komen.
Vrijheid ontkiemt in hen, gloeit aan, dooft uit,
zal weer ontvlammen.
Zij blijven kinderen, zij worden groter.
Hun stoet is zonder einde en getal.
Tel maar de sterren.
Zij weten van de stad met fundamenten.
tekst: Huub Oosterhuis; muziek: Antoine Oomen
TAFELDIENST
We zitten aan tafel. In gezelschap van mensen uit de gemeenschap die samen willen luisteren naar een oud verhaal en de gedachtenis van Jezus van Jezus levendig willen houden, al 2000 jaar lang. Jezus, zoon van God, Heiland, visioen van vrede licht deze wereld.
We steken de kaarsjes aan in de schaal met doopwater om onze geliefden die nu in een ander licht leven te gedenken.
Ook het solidariteitskaarsje steken we aan om aan iedereen te denken die deze avond ook het laatste avondmaal beleven.
Tafellied : Die naar menselijke gewoonte
Die naar menselijke gewoonte
met een eigen naam genoemd werd
toen hij in een ver verleden
werd geboren, ver van hier
die genoemd werd: Jesjoe, Jezus
zoon van Jozef, zoon van David
zoon van Jesse, zoon van Juda
zoon van Jakob, zoon van Abram
zoon van Adam, zoon van mensen
die ook zoon van God genoemd wordt,
heiland, visioen van vrede
licht der wereld, weg ten leven
levend brood en ware wijnstok
die, geliefd en onbegrepen,
werd bewaard in taal en teken
als een eeuwenoud geheim
als een wachtwoord doorgegeven
als een vreemd vertrouwd verhaal
die een naam in mijn geheugen
die de stem van mijn geweten
die mijn waarheid is geworden:
hem gedenk ik hier en noem ik,
als een dode die niet dood is
als een levende geliefde
die gekozen heeft te leven
voor de armsten van de armen
helpman, reisgenoot en broeder
van de allerminste mensen
die, ten dage dat hij rondging
door de dorpen van zijn landstreek,
mensen aantrok en bezielde,
hen verzoende met elkaar
die niet steil en ongenaakbaar
niet hooghartig, als een heerser,
maar in knechtsgestalte leefde
die zijn leven voor zijn vrienden
prijsgaf, door een vriend verraden,
die, getergd tot op het kruis,
voor zijn vijand heeft gebeden,
die van God en mens verlaten,
is gestorven als een slaaf
Aan het eind van de symboolrijke pesachmaaltijd – waar de aanwezigen Jezus’ lijden en dood voorvoelen, neemt Jezus brood, dankt ervoor, zegent het, breekt het en zegt: “neem en eet hiervan, dit is mijn lichaam voor u. Doe dit om mij te gedenken”.
Na de maaltijd neemt hij de beker met wijn, zegent die en geeft hem rond: “deze beker is het nieuw verbond in mijn bloed. Doe dit, zo dikwijls jullie drinken, om mij te gedenken”
Blijf dit bijzonder tafelmoment herdenken, blijf maaltijd delen, dienstbaar zijn, jezelf delen… zó zal ik bij jullie zijn.
die gestrooid is in de akker
als het kleinste van de zaden,
die daar wacht een lange winter
in de stilte van de dood,
die als graan geoogst zal worden
die als brood gedeeld wil worden
om in mensen mens te worden
die, verborgen in zijn God,
onze vrede is geworden,
onze ziel tot rust gekomen,
die ons groet vanuit zijn verte
die ons aankijkt van dichtbij
als een kind, een vriend, een ander
hem gedenk ik hier, hem noem ik
en beveel hem bij je aan
als je levende geliefde
als de mens die naast je is.
T Huub Oosterhuis – M Bernard Huijbers
Vredeswens
Het voelt zo vertrouwd: brood en wijn delen: eenvoudige alledaagse gebaren als levend teken van Zijn liefde tot het uiterste. Toen hij van tafel opstond om de voeten van zijn leerlingen te wassen gaf hij ons een voorbeeld van wat dienstbaarheid kan zijn..
Geef dat ook wij Hem vandaag herkennen in de gebaren en woorden die Hij ons heeft toevertrouwd. Mogen brood en beker, Zijn lichaam en bloed ons telkens weer deelgenoot maken van zijn liefde en vrede en een uitnodiging zijn om te doen wat hij heeft voorgedaan.
Moge vrede neerdalen over mensen die samen tafelen.
Moge die vrede een klik geven om zelf vredebrengers te zijn.
ZENDING
Verlangen (Marinus van den Berg)
Jij hebt in ons het verlangen
Naar ontmoeting gelegd
Jij eet hoe mensen elkaar kunnen verrijken.
Jij kent de pijn
Van wie alleen verder moeten gaan.
Altijd weer bloeit het verlangen
Naar ontmoeting op;
Als een plant in de woestijn
Sterken dan de droogte.
Altijd weer zoekt een mens naar een mens.
Jij hebt in ons het verlangen
Naar ontmoeting gelegd?
Jij hebt ons dorstig gemaakt
Naar vriendschap en liefde.
Niemand kan leven zonder een woord
Dat goed doet.
Ons hart is onrustig
Totdat het zal rusten in de ontmoeting.
Ons hart blijft verlangen
Totdat het antwoord vindt.
Jij die de Liefde voor mensen bent,
Wordt het verlangen naar ontmoeting.
Jij zult ons verlangen vervullen
En voltooien.
Slotlied – Dominicaanse zegenwens
Moge God de Vader ons zegenen
moge God de Zoon ons heel maken
moge de Heilige Geest ons verlichten
en ons ogen geven om mee te zien
oren om mee te horen
en handen om Gods werk mee te doen
voeten om mee te lopen
en een mond om woorden van verlossing te preken
en moge de engel van de vrede over ons waken
en ons tenslotte leiden door Gods genade
tot in het eeuwig koninkrijk.
Amen. Amen.
T: Dominicaanse traditie – M: Mark Joly
Apostelsoep delen
In de katholieke kerk wordt Witte Donderdag soms als ‘priesterdag’ benoemd en wordt aan priesters een feestmaal voorgezet. Vanuit de idee van het tweede Vaticaans concilie dat spreekt van het ‘priesterlijk volk’, delen we hier vandaag met alle aanwezigen Apostelsoep, verwijzend naar een oude traditie om de laatste maaltijd met Jezus te herdenken – de soep met 12 verschillende (groene) voorjaarsgroenten of -kruiden herinnert aan de 12 apostelen rond die laatste tafel.


