DOMINICUS GENT
PASEN 2026
“Dan komt de dag dat wij licht en water, aarde en mens bevrijden.
Dan komt de dag, dan zal het zijn: alles voor allen.”
Zo klinkt het jubelende gedicht van Pablo Neruda.
Een zalige Pasen aan jullie allen die hier of thuis op deze hoogdag meevieren.
We vieren rond het Paasverhaal dat ons toont dat het leven kan kantelen van dood naar leven, van donker naar licht, van wanhoop naar hoop.
Elke dag kiezen mensen opnieuw om leven te geven en leven te vinden. Zij maken het verschil. Als we zo met genoeg zijn, bevrijdt ons samenleven zich uit de greep van de angst.
Dan telt iedereen mee in een wereld waar hoopvol delen een levenshouding wordt.
We zingen ons wakker voor een boodschap van hoop met het lied:
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten.
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten.
Wij wachten op licht, maar het blijft donker,
op het licht van de zon, maar wij dolen in duisternis.
Als blinden tasten wij langs de wand,
onzeker als mensen zonder ogen.
Wij struikelen op klaarlichte dag,
in de bloei van ons leven zijn wij als doden.
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten.
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten.
Sta op en word helder, uw licht is gekomen.
De glorie van God zal over u lichten.
Hij is een mantel van licht om u heen.
Hij zal u noemen: ‘niet langer verlaten’.
En ’s nachts zal de maan uw licht niet meer zijn,
want God de Heer zal een licht voor u zijn.
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten
Wees hier aanwezig,
wees hier aanwezig,
licht in ons midden,
licht in ons midden
kom ons bevrijden,
kom ons bevrijden,
dat wij herleven,
dat wij herleven
God in ons midden,
God in ons midden,
Jezus Messias,
Jezus Messias
Licht van de wereld,
Licht van de wereld
kom hier aanwezig,
kom hier aanwezig
Zijt Gij de levende,
Zijt Gij de levende
bron van ons leven,
bron van ons leven.
Kom ons bevrijden,
Kom ons bevrijden
Zoon van God.
Zoon van God.
Zijt Gij de levende,
Zijt Gij de levende
licht van de wereld.
Licht van de wereld.
Wees hier aanwezig,
wees hier aanwezig
Bron van ons leven.
Bron van ons leven.
Kom ons bevrijden,
kom ons bevrijden
Zoon van God.
Zoon van God
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten
T. Huub Oosterhuis
Lichtritueel
Jij sprak: Licht! En er was licht.
Zo begint het boek van het begin,
het verhaal van Uw weg met ons.
Uw naam
‘Ik zal er zijn’
spiegelt onze nieuwe naam
‘Niet-langer-Verlaten’.
Wees hier aanwezig,
maak ons klaarwakker,
kom ons bevrijden!
Gij die Licht zijt,
Gij die elke morgen doorbreekt,
Gij die eb en vloed, winter en zomer, berg en dal,
zee en wolken
alles en allen tot bestaan roept;
Gij die ons leidt van de morgen naar de gloed van de dag,
onstuitbaar, niet te doven,
kom ons tegemoet,
in elke mens die een antwoord is
op de vraag van ons bestaan.
Laat in ons oplichten wie Gij zijt.
Laten we hier ook licht binnenbrengen in onze gemeenschap.
Dat Jezus, een mens, één mens, de duisternis kon verdrijven,
willen we week na week in herinnering brengen met het licht van de paaskaars.
Een kleine vlam die een oproep aan ons allen is om zelf licht in de wereld te zijn,
om zijn voorbeeld te volgen, een kleine pit die een oproep is
om nooit de hoop te laten varen dat het leven het zal halen op de dood.
De nieuwe paaskaars is aangestoken. Achteraan staan heel wat lichtjes te wachten om aangestoken te worden aan het licht van de nieuwe Paaskaars, om daarna de tafel te versieren.
Terwijl het licht aangebracht wordt, zingen we het lied aan het licht
Licht dat ons aanstoot in de morgen,
voortijdig licht waarin wij staan
koud, een voor een, en ongeborgen,
licht overdek mij, vuur mij aan.
Dat ik niet uitval dat wij allen, zo
zwaar en droevig als wij zijn
niet uit elkaars genade vallen
en doelloos en onvindbaar zijn.
Licht van mijn stad de stedehouder,
aanhoudend licht dat overwint.
Vaderlijk licht, steevaste schouder,
draag mij, ik ben jouw kijkend kind.
Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen
of ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen
en elk zijn naam in vrede draagt.
Alles zal zwichten en verwaaien
wat op het licht niet is geijkt.
Taal zal alleen verwoesting zaaien
en van ons doen geen daad beklijft.
Veelstemmig licht, om aan te horen
zolang ons hart nog slagen geeft.
Liefste der mensen, eerstgeboren,
licht, laatste woord van Hem die leeft.
T. Huub Oosterhuis
Lezing: Johannes 20, 1-18
Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria van Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen voor het graf was weggehaald. Ze liep snel weg, naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze Hem nu neergelegd hebben.’ Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de dood moest opstaan. De leerlingen gingen terug naar huis.
Maria stond bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd.’ Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u Hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u Hem hebt neergelegd, dan kan ik Hem meenemen.’ Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dit Hebreeuwse woord betekent ‘meester’.) ‘Houd Me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zeg tegen hen dat Ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ Maria van Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat Hij tegen haar gezegd had.
Klein Paaslied
Tussen waken, tussen dromen,
in het vroege morgenlicht,
wordt de steen van ’t graf genomen,
horen vrouwen het bericht,
dat door dood en duisternis
Jezus leeft en bij ons is.
Zij die zich als eerste buigen
over leven in haar schoot,
zijn op Pasen kroongetuigen
van nieuw leven uit de dood.
Vrouwen hebben hem ontmoet,
weten zich bevrijd voorgoed.
Uit een sprakeloos verleden,
weggeschoven, ongehoord,
wordt een nieuw tuin betreden,
open is de laatste poort,
sluiers worden weggedaan,
het is tijd om op te staan.
Lente kleurt de kale bomen,
door het leven aangeraakt
bloeien bloemen aan de zomen,
zo wordt alles nieuw gemaakt.
Juichend stemt het leven in
met de toon van het begin.
T. Hanna Lam
Overweging: over de tuinman… (schepping, herstel en opdracht)
“Maria dacht dat het de tuinman was”. Het lijkt een kleine, onbeduidende tussenzin in het verhaal om de verwarring van Maria te beschrijven. Het arme wicht is zo ondersteboven van de situatie, dat ze het Noorden kwijt is en Jezus niet herkent. Maar waarom staat er dan specifiek dat Maria van Magdala aan een tuinman denkt? Het zal niet geweest zijn omdat die gewapend met bosmaaier of godbetert bladblazer op zo’n vroeg uur aan het werk was in de tuin. En wellicht ook niet omdat hij paaseieren aan het verstoppen was voor de kinderen van Jozef van Arimatea, want de chocolade en de klokken van Rome moesten nog uitgevonden worden. Alle gekheid op een stokje, de gewoontes van de evangelisten een beetje kennende, wordt dat beeld niet zomaar gebruikt. Meer nog, het verwijst voor mij naar de kern van de paasboodschap.
Maria ziet een leeg graf, alles weg, geen lichaam meer om te verzorgen en te balsemen, alleen het grote niets. Diepe duisternis. Snijdende wanhoop. Totale chaos. Zwarte, dorre aarde.
In die ontreddering verschijnt Jezus, de tuinman, de hovenier, in het Latijn hortolanus, letterlijk hij die bij de tuin hoort. Zo’n hortolanus had de zorg en het beheer over de tuin en kweekte er groenten, kruiden en fruit.
Voor een gepassioneerde tuinman is diezelfde zwarte aarde geen doods gegeven, maar een wereld vol kansen en mogelijkheden. Er schuilt belofte in. Vol geloof kijkt de hovenier naar de grond en gaat ermee aan de slag. Hij woelt hem om, zodat er lucht en licht en warmte kan in komen. Hij geeft de aarde extra voedingsstoffen en water, zodat het een rijke bodem kan worden waarin nieuw leven voedsel kan vinden om te groeien.
En voorzichtig legt hij zaden in de donkere aarde. Hij moet erop vertrouwen dat die zaden zullen kiemen, opschieten, zich een weg zoeken in de duisternis en licht vinden. Prille, kwetsbare plantjes die uitgroeien tot stevige planten en struiken die vrucht dragen en voedsel voor de mens. De zorg en het werk is nooit af, er moet over gewaakt worden dat het onkruid de frêle plantjes niet overwoekert, en menig tuinman en -vrouw zal weten wat rupsen en slakken en ander ongedierte kunnen aanrichten.
Ik mocht een aantal jaren geleden tijdens een reis naar het zuiden van Senegal, zelf zien hoe zo’n tuin letterlijk het verschil maakt tussen leven en dood, bij het bezoek aan een aantal ontwikkelingsprojecten. Met beperkte steun van buitenaf die ervoor zorgde dat er een stevige omheining voorzien werd en een waterput geboord, slaagden vrouwen en oude mannen erin bloeiende groentetuinen te onderhouden die niet alleen hun woongemeenschappen van voldoende voedsel konden voorzien, maar waar ze ook van de overvloed konden verkopen om in het dorp onderwijs en gezondheidszorg te voorzien. Daar wordt een tuin letterlijk een bron van nieuw leven.
De metafoor van de tuinier en zijn werk geeft ons al een bepaald inzicht op het Paasgebeuren, maar het valt te betwijfelen dat de evangelist met zijn beeld alleen dat heeft bedoeld. In de tekst klinken immers nog meer echo’s door.
Het evangelieverhaal dat we daarnet beluisterden, klinkt in onze vertaling als “Vroeg op de eerste dag van de week”, maar letterlijk staat er “Op dag EEN van de sabbatsweek”, niet “eerste”, maar “EEN”. Het is niet zomaar een dag in de rij. Dag EEN verwijst regelrecht naar het scheppingsverhaal in Genesis: “God roept tot het licht ‘dag’ en tot het duister heeft hij geroepen ‘nacht’; er geschiedt een avond en er geschiedt een ochtend: dag één.” Niet zomaar een dag, maar één die alle volgende zal kenmerken.
Wie Genesis zegt, denkt dan ook onmiddellijk aan die andere tuin: de tuin van Eden. Ook de eerste mens Adam wordt er aangesteld als tuinman om de tuin te onderhouden en tot bloei te brengen. Maar Adam maakt er een beetje een potje van. Hij heeft geen groene vingers. Hij struikelt, valt diep en moet de tuin van Eden verlaten omdat hij probeert zichzelf tot centrum van de schepping te maken, hij wil zelf aanbeden worden, veel likes en volgers hebben (wat in zijn geval al helemaal geen strak plan was). Wat ooit leven in een prachtig paradijs kon zijn, vervalt tot leven in een woeste en onherbergzame wildernis. Het is het verhaal van de mensheid.
Door Jezus als tuinman in het verhaal binnen te brengen, zegt de evangelist eigenlijk “Jezus is de nieuwe Adam”. Een mens zoals God hem gedroomd heeft. Hij was zoals wij zouden willen zijn, een mens van God, een vriend, een licht, een herder, zoals Oosterhuis het schreef en wij het zingen.
Hiermee zegt de evangelist ons: “De mens is niet verloren, hij is niet voorgoed verjaagd uit de tuin van Eden, er is een tweede kans, het droeve lot is niet de bestemming, de mens is tot meer uitgenodigd. Jezus herstelt de gebroken schepping, brengt terug wat in Eden verloren ging en verandert de tuin van verdriet in een plek van ontmoeting en nieuwe hoop.
Zo ook wordt dit verhaal er één van schepping, herstel en opdracht. Ook wij worden met onze naam genoemd en de weg gewezen: zoek hem onder de levenden, wij allen moeten de hoveniers worden van ons hart en van de schepping. Als wij dat doen, zullen we nieuw leven vinden, daar waar we het niet verwachten.
Hovenier worden van je hart wil zeggen: je tuin lezen en verstaan, zien wat die echt nodig heeft, welke planten je wil houden omdat je er kan van leven, omdat ze je van voedsel voorzien, en wat je wil wieden, omdat het al het andere dreigt te overwoekeren en te verstikken, het echte leven fnuikt. Het betekent de handen vuil maken in de zwarte aarde, graven, wieden, besproeien en bemesten. Het heeft als consequentie dat je soms lelijk kan bezeren aan de doorns van distels en andere struiken die al het andere verstikken en dat er kapwerk te doen is. Maar een goede tuinman stopt die schrammen en littekens niet weg, want ze herinneren hem aan de weg die hij afgelegd heeft. Zien waar het op aankomt, dat voeden en weghalen wat het in de weg staat, geeft kansen aan het nieuwe leven dat sterker dan ooit kan bloeien.
Maar tegelijkertijd daarmee zijn we ook uitgenodigd om hoveniers te zijn van de hele schepping. Die is bij deze herschepping op Pasen opnieuw aan de mens, aan jou en mij toevertrouwd. Ook hier horen we de roep om in opstand te komen tegen alles wat nieuw leven in de kiem smoort, wat levende grond verschroeit, de roep om in opstand te komen tegen al die vormen van dood: onrecht, geweld, oorlog, armoede, jacht op vluchtelingen, het vernietigen van onze leefomgeving, het recht van de sterkste, het gewin van enkelingen ten koste van de hele mensengemeenschap.
Pasen legt in ons het diepe vertrouwen dat die dood niet zal overwinnen. Ondanks oorlog en vernietiging, worden nog steeds kinderen geboren, wordt er misschien nog meer dan ooit voor de zwakken gezorgd en klinkt het protest en verzet tegen onrecht steeds luider.
Heel veel mensen zijn al opgestaan en zijn gaan tuinieren. Zij hebben meer gezien dan de zwarte verschroeide aarde. Zij zien nu al het nieuwe leven dat zal uitbreken, ze doen er alles aan om dat leven alle kansen te geven, ook al zullen ze de vruchten misschien niet zelf oogsten. Pasen gebeurt hier en nu en op vele plaatsen.
Sta op. Wis droefenis en twijfel uit je ogen en ga aan de slag met schoffel en hark, maak de handen vuil, maak opstanding waar. Allemaal tuinier!
Zalig Paasfeest.
Pasen is schepping, is herschepping, bidden we dat ook wij en de hele wereld mogen herschapen worden, doen we dat met het lied “Adem in mij”
Gij adem van vrijheid adem in mij
en in heel de wereld.
Gij stroom van leven stroom in mij
en in heel de wereld.
Gij flits van een nieuwe wereld licht op in mij
en in heel de wereld.
Gij donder van gerechtigheid dreun in mij
en in heel de wereld.
Gij levend in geweldloosheid leef in mij
en in heel de wereld.
Gij roos van vrede bloei in mij
en in heel de wereld.
Gij frisse wind waai in mij
en in heel de wereld.
Gij goddelijke aandrang doordring mij
en de hele wereld.
T. Anton Rotzetter
Waterritus en hernieuwing van de doop- en geloofsbeloften
Lucht, vuur, water en aarde
zij grijpen op elkaar in, in een voortdurend samenspel
zij omgeven ons, zij maken ons bestaan mogelijk.
Wij worden eruit geboren en zij nemen ons terug op.
(Water wordt in de doopschaal gegoten.
De Paaskaars wordt er drie keer in ondergedompeld.)
Moge dit water waarmee we in het leven werden geroepen,
allereerst in de moederschoot en dan opnieuw bij ons doopsel,
ons verbinden met elkaar,
met alle leven hier en nu en in de gehele wereld
en ook met allen die ons zijn voorgegaan.
En laat ons dan ons geloof uitspreken:
Wij beseffen en aanvaarden
dat wij onze rust niet vinden
in de zekerheid van wat wij belijden,
maar in verwondering voor
wat ons toevalt en geschonken wordt.
Wij vinden onze bestemming
in wakker en verbonden zijn
met al wat leeft.
Wij vertrouwen dat
ons bestaan voltooid wordt
door wat oneindig groter is
dan wij kunnen bevatten.
Zo geloven wij in Gods Geest
die al wat mensen scheidt
te boven gaat en hen bezielt
tot wat heilig is en goed.
Wij geloven in Jezus,
een van Geest vervulde mens,
het gelaat van God
dat ons aanziet en verontrust.
Hij had de mensen lief
en werd gekruisigd
maar leeft,
zijn eigen dood en die van ons voorbij.
Wij geloven in God
die ondoorgronde liefde is,
de grond van het bestaan,
die ons de weg wijst
van vrijheid en gerechtigheid
en ons wenkt
naar een toekomst van vrede.
Wij geloven dat wij zelf,
zwak en sterk en feilbaar
geroepen worden
om met Christus en elke mens
van goede wil,
hoopvol gemeenschap te vormen.
Want wij geloven in de toekomst
van God en wereld,
in een goddelijk geduld
dat tijd schenkt
om te leven en te sterven
en om op te staan,
in het koninkrijk dat is
en komen zal,
waar God zal zijn: alles in allen.
Tafeldienst
Laten we aan tafel gaan: brood breken en delen, wijn te drinken geven. Vruchten van de aarde en het werk van kundige tuiniershanden.
Dit eenvoudige teken is een kleine daad van verzet in een wereld waar breken en delen steeds meer onder druk komt. Een klein gebaar dat, wanneer we het keer op keer herhalen, onomkeerbaar het onze wordt, bron van waaruit we kunnen leven.
Zoals Jezus zei: “dit brood en deze wijn, dit ben ik helemaal, hierin zit mijn hele leven”. Laat het een teken zijn dat iets laat oplichten van het mysterie van leven voorbij alle vormen van dood. Een teken dat opstanding gebeurt.
Hier aan tafel herinneren we ons de mensen die dit jaren met ons samen gedaan hebben, onze lieve doden.
Hier aan tafel willen we solidair zijn met alle tuiniers die waar ook ter wereld ditzelfde visioen willen vieren.
Gezegend Gij, in uw verborgenheid
gezegend om uw zon, uw scheppingsdag
in nacht en wolken, in verblindend licht,
waar zijt Gij, onze vader in de hemel?
Genoemd, gekend, bemind, volbracht, geheiligd
worde uw Naam, door ons al doende recht;
opdat nu eindelijk uw wil geschiede
en mensen niet meer sterven van de honger.
Gezegend om uw eens gegeven woord
gezegend om uw kind uit Nazaret –
gezegend om de schoot waaruit hij kwam
het volk van uw verbond, uw grote liefde.
Kome uw koninkrijk, de aarde nieuw,
de hemel open, mensheid naar uw beeld –
Open uw hand, geef ons het brood der vrijheid,
als gij ons niet verzadigt zijn wij niets,
open uw hand geef ons het brood der vrijheid
als Gij ons niet verzadigt zijn wij niets.
Open uw hart, ontferm U over ons
vergeef ons zeventig maal duizendmaal –
opdat wij in uw naam elkaar vergeven
en niet het kwade wordt vermenigvuldigd.
Leer ons volharden in het visioen
van recht voor allen, geef een nieuw begin –
zie ons van verre, troost ons van dichtbij
wees God voor ons hier en zonder einde.
Neemt en eet en drink
brood der vrijheid
lichaam ons gegeven,
vrucht der wijnstok,
voorsmaak van zijn Koninkrijk.
Zo moge het zijn.
T. Huub Oosterhuis
Onze Vader
Vredeswens
Vandaag vieren we de wereld zoals hij bedoeld is, zoals hij zou moeten zijn: het graf voorbij, mensen rechtop, in het volle licht, geheeld, niet langer verlaten…
Die diepe paasvrede wensen we aan elkaar
Slotbezinning
Pasen
en alles is
van ongekende kracht doordrongen.
De aarde krijgt een nieuw gezicht.
Het zaad, bestorven in de voren,
komt wonderbaarlijk aan het licht.
Zelfs als geen mens
het zou geloven,
dan zouden de bloemen en de bomen
verkondigen
dat zelfs wat ingeslapen is,
toch onbedwingbaar kan herleven.
In al haar kwetsbaarheid
mag hoop gekoesterd worden.
Omwille van die Ene.
Zijn leven was zo onvoorwaardelijk
en diep in ons bestaan geworteld
dat geen grafsteen
zwaar genoeg kon zijn.
Dood reikt niet verder dan de liefde.
Sta op
en durf die weg te gaan.
Laat Hem in taal en teken
weer herkenbaar worden.
(Kris Gelaude)
Uittochtlied
Alsof de richting ons werd ingeschapen
gaan wij, de onbegonnen lange weg.
Een harde dienst is van ons afgenomen.
Vrijheid van spreken is ons aangezegd.
Alsof de richting ons werd ingeschapen
gaan wij, de onbegonnen lange weg.
Een harde dienst is van ons afgenomen.
Vrijheid van spreken is ons aangezegd.
Sprekend alleen zullen wij op Hem lijken
die sprak: Het worde licht, Ik zal er zijn.
Nog eeuwen en wij zullen woorden vinden,
nieuwe zonsopgang boven de woestijn.
Er zal een land zijn, uit de zee gespaard.
Er zullen mensen zijn, uit ons geboren.
De grond zal nog de grond zijn, het gezaaide
zal sterven en ontbloeien. Het wordt zomer.
En het wordt winter. En de afgrond daalt
over de aarde, diepe zee van eeuwen
waarin wij weg zijn.
En weer zullen slaven,
uit ons geboren, om bevrijding schreeuwen.
En weer zullen slaven,
uit ons geboren, om bevrijding schreeuwen.
En weer zullen slaven,
uit ons geboren, om bevrijding schreeuwen.
T. Huub Oosterhuis



