VIERING : KUNST MAAKT ONRECHT TASTBAAR

Dominicus Gent

Viering van zondag 25 januari 2026

KUNST MAAKT ONRECHT TASTBAAR

 
Van harte welkom! Of je hier nu fysiek aanwezig bent of thuis gezellig via het scherm meekijkt: wees welkom.

Vandaag doen we het wat anders. We lenen de structuur van de klassieke woorddienst. Voor degenen die nu het lichte angstzweet krijgen of flashbacks naar de Latijnse mis: vrees niet! U krijgt twee lezingen te horen en een psalm tussendoor. Maar we vullen het in op onze eigenwijze ‘eigen wijze’ met een frisse Dominicus-saus.

Ons thema is: ‘Kunst maakt onrecht tastbaar’. Sommige hedendaagse kunstenaars hebben de gave om dat wat onzichtbaar is, weer voor onze ogen te brengen. Ze geven een stem aan wat tot zwijgen is gebracht.

Ook de Bijbel is een collectief kunstwerk. Het is wereldliteratuur waarin de mensheid al eeuwenlang haar diepste angsten, haar schreeuw om rechtvaardigheid en haar hoop op bevrijding heeft neergeschreven. Het zijn verhalen die onrecht tastbaar maken.

We luisteren naar een eerste lezing uit het Oude Testament: het oerverhaal van Kaïn en Abel. Dat zal ik verbinden met het indrukwekkende werk van kunstenaar Archie Moore op de Biënnale van Venetië.

We zingen daartussen een psalm, als een adempauze, een reflectie.

Aansluitend luisteren we naar een tweede lezing uit het Nieuwe Testament: over de storm op het meer. Dat zal Paule spiegelen aan de indringende zeegezichten van fotograaf Stephan Vanfleteren.

Maar laten we beginnen bij het licht. We steken de paaskaars aan. Om onze zintuigen te openen zodat we ons kunnen laten raken door beelden en woorden.

We zingen de viering open over weg en omweg, over ongezien vertrouwen

 

Openingslied : Lied van weg en omweg 

Die mij getrokken uit de schoot
mij mens genoemd hebt en geëigend
mijn ogen wende aan het licht

mijn voeten zette dat ik stond
mij hebt doen weten dat ik gaan kon
dat ik zou komen waar Gij zijt

die als ik neerzit aan de kant
van weg en omweg, moe en dorstig,
mij overschaduwt met uw Naam

die toen ik neerlag in het stof
mij hebt omgeven met uw duister
dat geen gedierte mij verslond

die ongezien mij trekt tot U
U zal ik ongezien vertrouwen –
laat mij niet over aan mijzelf.

die ongezien mij trekt tot U
U zal ik ongezien vertrouwen –
laat mij niet over aan mijzelf.

T. Huub Oosterhuis / M. Antoine Oomen

 

Bijbellezing : Genesis 4:3-10

Na verloop van tijd bracht Kain een offer aan Jahwe van de vrucht en van de grond. Ook Abel bracht een offer, de eerstgeborenen van zijn beste schapen. Jahwe zag genadig neer op Abel en zijn offer, maar op Kain en zijn offer sloeg Hij geen acht. Een wilde woede greep Kain aan, en zijn gezicht werd grimmig. Nu zei Jahwe tot Kain: `Waarom zijt gij woedend en waarom staat uw gezicht zo grimmig? Als gij het goede doet, is er opgewektheid; maar doet gij het goede niet, dan loert de zonde als belager aan uw deur, begerig u te grijpen. Zult gij hem meester kunnen blijven?’ Daarop zei Kain tot zijn broer Abel: `Laten we gaan wandelen.’ En toen zij buiten waren, viel Kain zijn broer aan en vermoordde hem. Nu zei Jahwe tot Kain: `Waar is uw broer Abel?’ Hij antwoordde: `Ik weet het niet. Moet ik dan op mijn broer passen?’ Toen zei Hij: `Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broer roept uit de grond tot mij!

 

1

Kunst maakt onrecht tastbaar

“Waar is je broer?” Het is een van de meest indringende vragen uit de wereldliteratuur. In Genesis stelt God de vraag aan Kaïn. Zijn antwoord is een klassieker in de geschiedenis van de onverschilligheid: “Ik weet het niet. Moet ik dan op mijn broer passen?” Die vraag blijft klinken.
In de lezing, die we zonet beluisterden, leidt jaloezie tot de dood. Maar het verhaal eindigt niet bij de stilte van het graf. God zegt tegen Kaïn: “Wat heb je gedaan? Luister, het bloed van je broer roept uit de aarde naar mij.”

Dit is een cruciaal beeld. Onrecht verdwijnt niet simpelweg in de tijd; het laat sporen na. Het bloed ‘roept’ en eist erkenning. Onrecht heeft een stem, zelfs als slachtoffers tot zwijgen zijn gebracht.

In DS van 14 december schreef Brigitte Herremans dat kunst onrecht tastbaar kan maken en een bron voor nieuwe ideeën over rechtvaardigheid kan zijn.

Ik bezocht in 2024 de Biënnale van Venetië. Ik stelde vast dat kunstenaars diezelfde indringende vraag blijven stellen: Waar is de ander die door ons systeem of privilege onzichtbaar is gemaakt?

Dat “roepen uit de grond” was sterk voelbaar in het Australische paviljoen op de Biënnale in Venetië. Aboriginal kunstenaar Archie Moore won daar de Gouden Leeuw met het project ‘Kith and Kin‘ (een Engelse uitdrukking die vrienden en verwanten betekent).

  Als je de donkere ruimte van het Australisch paviljoen binnenstapt, word je overvallen door een monumentale stilte. Moore graveerde 65.000 jaar geschiedenis op de donkere muren en het plafond. Hij tekende met wit krijt stambomen op gitzwarte muren: duizenden namen, generatie na generatie. Maar naarmate je kijkt, zie je de gaten. Namen gewist door kolonialisme, geweld en verwaarlozing. In het midden van de ruimte, omringd door een gracht van water, drijven staatsdocumenten over verdwijningen, moorden, sterfgevallen in politiecellen. Hier wordt het bloed uit Genesis tastbaar. Het roept niet uit de aarde, maar uit de archieven en van de muren.

Moore doet wat de Bijbelse profeten deden: hij verbreekt de ontkenning en weigert het antwoord van Kaïn. Hij zegt niet: “Ik weet het niet,” maar: “Kijk hier, dit zijn hun namen.” Hij maakt onrecht tastbaar op een manier die statistieken nooit kunnen. Statistieken en cijfers kun je naast je neerleggen, maar een muur vol namen kijkt je aan en vraagt: “Wat heb je gedaan?”

Toch is dit geen verhaal van louter wanhoop. Door de namen te noemen, geeft Moore mensen hun waardigheid terug. Hij dwingt ons na te denken over hoe het anders kan. Dat is de kracht van kunst die kleur bekent: ze schuurt en confronteert, maar biedt ook hoop op solidariteit.

We proberen allemaal ons best te doen “zo goed en zo kwaad als het kan”. Maar kunstenaars als Moore dagen ons uit de lat hoger te leggen. Zij herinneren ons aan onze roeping: zoek het goede, doe recht, wees barmhartig. Het onrecht is tastbaar, maar de liefde en rechtvaardigheid moeten dat ook worden. Laten we niet antwoorden zoals Kaïn, met een schouderophalen, maar luisteren naar de namen op de muren. Verantwoordelijkheid nemen voor de wereld die we delen. Want pas als we de naam van onze naaste durven uitspreken, begint de weg naar herstel.

 

We zingen een psalm die onrecht tastbaar maakt. Zing zeg ik tegen mijn hart. Ik moet van u zingen.  

 
Psalm 146 

Zing zeg ik tegen mijn hart, maar ik kan het toch niet laten, ik moet van u zingen zolang ik leef.

Vertrouw de machthebbers niet, de groten die denken
dat zij alles kunnen, bij hen is geen heil.

Hun adem is kort, vult het leven van anderen niet;
wat zij willen, verstikt voor het avond is.

Zing zeg ik tegen mijn hart, maar ik kan het toch niet laten, ik moet van u zingen zolang ik leef.

Anderen zijn er die verder uitzien, die ademen
aan de oorsprong van hemel en aarde, de geweldige zee.

Zij weten een hart daar dat altijd antwoordt, een stem
die verdrukking recht doet, honger verzadigt.

Zing zeg ik tegen mijn hart, maar ik kan het toch niet laten, ik moet van u zingen zolang ik leef.

Gevangenen worden bevrijd, blinden dansen van licht,
die krom gingen van pijn lopen rechtop.

Die iedereen geven wat hem toekomtn worden gezegend;
de vreemdelingen onder ons vinden een thuis.

Zing zeg ik tegen mijn hart, maar ik kan het toch niet laten, ik moet van u zingen zolang ik leef.

Het kind dat geen vader en moeder meer heeft,
kan weer lachen, er is een hart dat het opneemt.

De vrouw zonder man die haar alleen-zijn niet dragen
kan krijgt in haar stomme nachten antwoord.

Zing zeg ik tegen mijn hart, maar ik kan het toch niet laten, ik moet van u zingen zolang ik leef.

Die het zelf altijd beter weten, gaan op een weg die
in eigen gekronkel verloren loopt.

Maar die meer waarheid kennen dan van zichzelf, weten
beraad dat van ouder op ouder bijblijft,

geluk dat reikt van geslacht tot geslacht, en dat alle
leven volooit, de pijn van de tijd voorbij.

Zing zeg ik tegen mijn hart, maar ik kan het toch niet laten, ik moet van u zingen zolang ik leef.

T. Gabriël Smit / M. Berre van Thielt

 

2

Verlangen naar stille, beschermende verbinding

In december bezocht ik de tentoonstelling van Stephan Vanfleteren in het MSK in Gent, als voorbereiding op deze viering. Bij het zien van zijn foto’s moest ik onmiddellijk denken aan de parabel van de storm op het meer van Galilea. Het is alsof zijn kunst datgene wat ons overspoelt, tastbaar maakt. Laten we eerst luisteren naar Mattheus en zijn verhaal:

 

Bijbellezing  :  Matteus 8:23-27

Toen Hij in de boot stapte, volgden zijn leerlingen Hem. Opeens raakte de zee in hevige beroering, zodat de golven over de boot sloegen; Hij lag te slapen. Zij gingen naar Hem toe en maakten Hem wakker met de woorden: “Heer, red ons, wij vergaan!” Hij sprak tot hen: “Waarom zijt gij bang, kleingelovigen?” Dan stond Hij op, richtte zich met een dwingend woord tot de winden en de zee; en het water werd volmaakt stil. De mensen stonden verbaasd en zeiden: “Wat voor iemand is dat toch, dat zelfs de winden en de zee Hem gehoorzamen?”


 

Het meer van Galilea staat erom bekend dat de wind plotseling kan opsteken en vanaf de omringende bergen terug op het meer valt, waardoor het water genadeloos wordt opgejaagd.

De leerlingen van Jezus zijn ervaren vissers, maar deze storm is zo hevig dat ze de controle verliezen. Ze worden geconfronteerd met hun eigen nietigheid.

De storm in dit verhaal staat symbool voor de chaos van de wereld waarin mensen toen en ook vandaag de dag dreigen te verdrinken. Het is de storm van het onrecht die ons soms letterlijk en figuurlijk boven het hoofd groeit. Veel mensen worden met diezelfde machteloosheid geconfronteerd. Denk maar aan bootvluchtelingen die hun lot in handen leggen van een smokkelaar om naar een beter leven te varen. Velen hebben de meedogenloosheid van de zee leren kennen, velen vonden een zeegraf. Het voelt aan als een schreeuwend onrecht. Net zoals in de eerste lezing uit Genesis. Het bloed van Abel “roept uit de grond”. De chaos in die boot van toen, weerspiegelt de chaos van nu: momenten waarop onrecht ons overspoelt en we elke houvast lijken te verliezen.

Maar Jezus brengt de natuur tot rust. De rust keert terug.

Vanfleteren gaat als een stoere bink de zee in om die kracht vast te leggen. De zee wordt bij hem geen vakantiebestemming, maar een rauwe, grijze, bijna abstracte macht. Door zijn lens maakt hij het onzichtbare onrecht tastbaar. Hij fotografeert de textuur van het water op een manier die de kijker dwingt de kou en de moedeloosheid te voelen van wie geen kant meer op kan.

Hij kent de gevaren en gaat het water in. Rond zijn arm is een touw bevestigd dat aan een ijzeren spie in het zand verankerd is. Zijn avontuur is spannend, maar niet zonder gevaar. Eens liep het bijna fataal af. Hij heeft vermoedelijk zelf ook de doodsangst ervaren toen hij bijna tenonderging aan zoveel natuurkracht.

Een ontroerend beeld vind ik de foto waarop hij, nog vóór hij zijn duikpak aantrekt, naakt op de rotsen wacht. Hij lijkt wel een foetus die zich laat wiegen. Ik weet niet of Vanfleteren gelovig is, maar zijn overgave is indrukwekkend. Zijn beelden dagen ons uit om, net als de apostelen, de storm recht in de ogen te kijken.

Zijn kunst is een getuigenis van de stormen in ons leven en in onze wereld. Het herinnert ons eraan dat, hoe diep de chaos en het onrecht ook zijn, er een verlangen blijft naar de stilte en naar het dunne touw dat ons veilig met elkaar en met vaste grond onder de voeten verbindt.

 

Wie leidt de slaven?

Wie leidt de slaven naar vrijheid toe?
Wie breekt hun ketens en verlicht hun lasten?
Dat doen de slaven zelf en God weet hoe,
eens zijn hun heren laatstgenoemde gasten!

Wie brengt de minsten tot menswaardigheid?
Wie geeft hen brood en huizen om te wonen?
Dat doen de minsten zelf, God kent hun tijd
eens zullen zij verdelen alle lonen!

Wie brengt de wereld ooit nog tot geloof?
Wie geeft God naam tot bij de vreemde volken?
Dat doen de vreemden zelf, en zie Gods faam
zullen zij eens bij ons opnieuw vertolken!

Wie geeft de doden aan het leven weer?
Wie maakt hun sterven tot een nieuw beginnen?
Dat doen de doden zelf, bij God de Heer
eens roepen zij bij ons de vrede binnen!

T. Jan van Opbergen / M. Bernard Huijbers

 

Uitnodiging tafel  

Laten we het voluit durven zeggen: wij zijn een gemeenschap die leeft vanuit de boodschap van Jezus: ‘Heb elkaar lief’. Straks herhalen we de woorden van zijn laatste avond, die tijdloze belofte van nabijheid en vertrouwen.

We steken de kaarsjes in de doopschaal aan. We verbinden ons met onze geliefden die de grens van de dood zijn overgegaan. Hun licht brandt voort in ons.

We kijken ook naar de wereld van vandaag. Het solidariteitskaarsje brandt voor hen die hun angst omzetten in daden.

Waar woorden soms tekortschieten, maakt kunst het onzichtbare onrecht tastbaar. De kunstenaar durft de wonde van de wereld aan te raken en dwingt ons te kijken naar wat we liever zouden vergeten.

Moge creativiteit een vorm van verzet zijn: een weigering om ons neer te leggen bij onrecht, en een moedige poging om de wereld, beeld voor beeld en daad bij daad, een klein beetje menselijker te maken.”

 

TafelgebedO Heer God 

Onze Vader in de hemel
die uw zon doet opgaan en uw regen zendt
over mensen kwaad en goed:
gezegend om uw Naam ‘Ik zal er zijn’
Gij die alleen voor ons en met ons zijt
zolang wij zijn voor mensen en met mensen

Gezegend Gij, dit uur van ons leven,
deze dag die Gij ons geeft
om allen die u kennen en eren
al doende gerechtigheid
die in hun midden de vreemdeling eren
zich ontfermen over hun naaste
recht doen de armen

Refrein: O Heer God, erbarmend, genadig, lankmoedig
rijk aan liefde, rijk aan trouw,
bewarend liefde tot het duizendste geslacht.

Gezegend zijt Gij
tegen de overmacht der feiten in
om zwakheid die kracht wordt –
om naamloze mensen
vervolgd, voortvluchtig, ten dode gefolterd,
maar die aan U vasthouden
en aan Uw koninkrijk,
dat het komen zal.

Gezegend Gij om allen
die uitzien naar de Stad-met-fundamenten,
naar een beter vaderland dan dit –
daarom schaamt Gij u niet
hun God genoemd te worden.

Gezegend zijt Gij
om het brood dat wij eten
dat dat wij nog leven tot op vandaag.

 Gezegend zijt Gij
om Jezus van Nazareth,
die ten einde toe uw weg gegaan is:
die in de nacht van overlevering
toen hij al wist
dat hij lijden moest en sterven zou
het brood gebroken heeft en uitgedeeld:
neemt en eet, heeft hij gezegd,
dit is voor u mijn lichaam.

Ook de beker heeft hij ons gereikt:
kunt gij de beker drinken
die ik drinken moet,
heeft hij gezegd;
drinkt dan, tot mijn gedachtenis,
deze beker van een nieuw verbond
met alle mensen,
dat wij elkaar behoeden en doen leven.

Gij die ons hebt geroepen,
doe ons toebehoren aan elkaar.
Dat wij niet losgeslagen leven
buiten uw bereik –
bescherm ons tegen onszelf.
Dat wij volharden in aandacht
dat ons niet begeeft de kracht tot liefde.

 

Onze Vader

Vredeswens 

Zoals een kunstenaar met zachte hand de rauwe waarheid blootlegt, zo vraagt vrede ons om het onrecht niet langer te ontkennen. Het is de moed om de stambomen van de vergetenen te lezen, om de stormen op de zee in de ogen te kijken, en om in de ander niet langer een vreemde, maar een broer of zus te zien.

Mogen we elkaar zegenen met de nabijheid en vrede van hen die recht doen…

Communie

Slotgebed

Kunst legt haar oor
tegen de muur van de wereld.
Ze hoort wat wij niet meer horen,
ziet wat wij liever ontwijken.

In lijnen, klanken en kleuren
maakt zij onrecht tastbaar –
niet om te veroordelen,
maar om ons wakker te houden.

Waar wij durven kijken,
kan iets helen.
Waar wij durven luisteren,
kan een andere wereld
voorzichtig beginnen.

 

Slotlied :  Lied om mee te gaan

Wij moeten gaan; aan ’t lied van bevrijding
voegden we weer een eigen refrein,
zagen rondom de glans van herkenning
hoe we elkaar tot Verbondgenoot zijn.
Vonden het Woord, eerder gehoord,
als nieuwe bron op eigen terrein.

Laten we gaan. Geloof in de zegen
die onze God steeds toegezegd heeft,
in niemandsland soms worst’lend verkregen
maar die ons hoop, moed en waakzaamheid geeft.
Neem van hier mee, het vaste idee
Licht blijft de kern, vaak tastend beleefd.

Neem bij het gaan de mantel van vrede
die we behoedzaam om mogen slaan
waarin de naam vol kleur is geweven
Vage beschutting in mensenbestaan.
In de woestijn, vruchten en wijn:
Vrede en zegen! Laten we gaan.

T. Gonny Luijpers / M. Herma Bulder

 

(foto’s Archie Moore (Biënnale Venetië) en Stephan Van Fleteren (MSK Gent): Jan Claerhout)