Dominicus Gent
Viering van zondag 1 februari 2026
GOD ALS ROTS, GOD ALS HERDER
We hebben de paaskaars ontstoken, teken van de levende Christus in ons midden.
De paaskaars is natuurlijk een symbool. Het is de zichtbare en tastbare verwijzing naar wat niet zichtbaar en tastbaar is, maar ons niettemin samen brengt gedreven door de inspiratie van Jezus de Christus. Alleen al die naam is een geloofsbelijdenis: Jezus is de Messias, de Christus, de van God gezondene. Uit die geloofsbelijdenis putten we onze hoop.
Hoe we daar zinnig over kunnen spreken, hoe we geholpen worden door beeldspraak, door parabels, en verhalen: dat zal de thematiek zijn van de drie volgende zondagen, te beginnen met de eerste vandaag. Wij hebben het over we wat allemaal zeggen over God en wat daaruit betekenis heeft voor ons vandaag.
Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden,
eeuwige God, wij willen U zien.
Geef ons vandaag een teken van liefde.
Eeuwige God, wij willen U zien,
geef ons vandaag een teken van liefde.
Want wat de hemel is voor de aarde,
dat is uw liefde voor hen die geloven.
Geef ons vandaag een teken van liefde.
Gij, de vergeving van alle zonden,
recht en gerechtigheid voor deze wereld.
Gij, de vergeving van alle zonden,
geef ons vandaag een teken van liefde.
Gij kent ons toch, Gij zult niet vergeten,
dat wij uw mensen zijn, Gij, onze God.
Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden,
eeuwige God, wij willen U zien.
Geef ons vandaag een teken van liefde.
(Huub Oosterhuis)
METAFOREN VOOR GOD
“Hoe is uw Naam, waar zijt Gij te vinden, Eeuwige God, wij willen U zien”
Deze uitroep, deze vraag toont hoe het blijkbaar in de mens zit ingebakken om taal te proberen vinden voor de diepe ervaring deel uit te maken van een groter en overstijgend geheel. “Ik kan het toch niet laten, ik moet van U zingen, zolang ik leef” zegt de psalmist.
Maar in die oefening zit ook iets tegenstrijdigs en absurds: we proberen immers woorden en beelden te vinden, maar beseffen tegelijkertijd dat die woorden en beelden nooit die realiteit helemaal zullen en kunnen beschrijven. Ze schieten één voor één tekort. Telkens als je een beeld of woord voor God gebruikt, moet je er bijna aan toevoegen: “het is, denk ik, dat, maar toch ook niet helemaal”. Het zullen altijd schamele pogingen blijven.
Wellicht komt ook hier de aansporing, het gebod vandaan om geen “beelden te maken”, want een beeld zet vast, begrenst, definieert, terwijl de realiteit altijd veel meer is, en misschien pas begint voorbij alle woorden.
Het is zoals de dominicaan Meister Eckhart het stelde: “over God wil ik zwijgen” De mens kan er niets zinnigs over zeggen.
En toch, het is sterker dan onszelf. We kunnen het niet laten. Wij zijn communicerende wezens en we willen vertellen van de ervaring dat we ten diepste gezien en bemind zijn en willen tegelijkertijd daarin ook telkens bevestigd worden: “Geef ons vandaag een teken van Liefde” zongen we.
Door de eeuwen heen hebben mensen daarom geprobeerd om taal en beeld te vinden. De Bijbel begint er al mee: het scheppingsverhaal als symbool voor de diepe ervaring dat er een God is die schept en leven geeft. Een God die we dromen naar ons beeld en gelijkenis. In dat scheppingsverhaal wordt door het woord, realiteit geschapen. God sprak en het werd … Dat gaat doorheen de ganse Bijbel: spreken, scheppen en reëel maken gebeuren in één beweging.
Dat is ook het effect van onze woorden en beelden, symbolen voor God: door die te gebruiken, te benoemen, maken we het goddelijke ook reëel in deze wereld. Als wij geen taal en beeld meer geven aan God, moeten we misschien, net zoals Nietzsche vertelt, met een lantaarn terug naar God op zoek.
Maar woorden en beelden hebben niet alleen het nadeel dat ze onvolledig zullen blijven, ze lijken ook beperkt houdbaar, slechts tijdelijk betekenisvol. Een kaars aansteken, hier de paaskaars, is iets waar veel mensen betekenis kunnen aan geven. Brood en wijn delen is ook door velen zonder veel uitleg te verstaan. Maar er zijn andere woorden en gebruiken die velen, zelfs in deze godsvruchtige gemeenschap, niets meer zeggen.
Soms is dat wat het is, een andere tijd, andere beelden. Soms is het echter wel de moeite waard om een paar van die oude beelden af te stoffen en op te blinken, omdat ze bij nader toezien toch nog meer kunnen vertellen dan de verengde betekenis die ze in de loop van de tijden gekregen hebben. Ignace en ikzelf zullen zo onze gedachten laten zwerven over twee van die namen en beelden voor God en hoe ze in een religieuze context kunnen verstaan worden.
Maar eerst luisteren we naar het begin van het Johannesevangelie, dat vertelt vol symboliek over het woord, dat werkelijkheid schept. Een tekst die met een paar woorden een hele wereld oproept en getuigt van die diepe intuïtie die ons hier samenbrengt.
Johannes 1,1-13
In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.
Het was in het begin bij God.
Alles is erdoor ontstaan, zonder het Woord is niets ontstaan van wat bestaat.
In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen.
Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.
Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes.
Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven.
Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam.
Het Woord was in de wereld, de wereld is door Hem ontstaan en toch kende de wereld Hem niet.
Hij kwam naar wat van Hem was, maar wie van Hem waren hebben Hem niet ontvangen.
Wie Hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft Hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden.
Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.
GOD ALS ROTS
Uit psalm 31:
hoor mij, haast u mij te helpen,
wees voor mij een rots, een toevlucht,
een vesting die mij redding biedt.
U bent mijn rots, mijn vesting,
U zult mijn gids zijn, mij leiden, tot eer van uw naam,
Het beeld van God als rots lijkt op het eerste gezicht weinig aantrekkelijk: een rots is groot en hard en koud, er zit weinig beweging in, je kan er je flink pijn aan doen of er af vallen en als stukken rots afbreken, verpletteren ze alles wat er onder terechtkomt.
En toch. Ik probeer samen met u te ontdekken waarom rots wel een passend beeld voor het goddelijke zou kunnen zijn. Ik geef u zeven korte overwegingen, zeven, een getal, zoals u weet, dat zelf symbool staat voor het goddelijke. Dat is voor een andere keer.
Een eerste. De psalmist heeft het over een rots die toevlucht biedt en een vesting die redding en bescherming geeft. Het aanzicht van rotsen brengt op zich een vorm van rust: kijk maar hoe de wilde zeeën inbeuken tegen rotskusten en hoe die tamelijk onverstoord standhouden. In de rotskloven en holtes, in de rotsgrotten hebben mensen beschutting gevonden tegen gevaar en ontij.
Zo ook kan het aanvoelen van het goddelijke een baken van rust betekenen in woelige tijden, het besef brengen dat er dingen zijn die eeuwig standhouden, die het gewoel en de onzekerheden van de dag overstijgen. Een stevige basis waarop je kan bouwen.
Een tweede. Teveel jaren geleden, toen ik nog vrolijk studeerde, hadden we in het eerste jaar een cursus delfstofkunde en mineralogie. Ik hoor die prof, terwijl hij tijdens de les rustig zijn pijp verder rookte, nog steeds zeggen dat we niet zomaar rots mochten zeggen tegen een rots. Beter is het om te spreken over een combinatie van lagen graniet, van gneiss, schisten en basalt en nog een paar vreemdsoortige namen. Misschien is God zo ook wel het vreemde, niet snel met één naam of beeld te vatten, zonder open geest niet makkelijk te kennen. Op zoek gaan naar het goddelijke betekent dan ook graven, boren, ontleden, de verschillende facetten en gelaagdheden proberen te herkennen. Een werk dat helaas nooit af is.
En dat brengt me tot een derde: in diezelfde cursus leerden we dat rotsen ontstaan zijn door opgestuwde en gestolde materialen uit de kern van de aarde. Gloedvol vuur dat materie geworden is. Misschien ligt ook dat vuur wel aan de bron van het goddelijke. In het begin moet er vuur geweest zijn dat aanstookt, opstuwt, vooruit brandt. Het beeld van de rots doet me zo denken aan hoe God ons toont dat ook wij ons moeten laten opstuwen, in gang zetten, in beweging brengen. Maar dat we tegelijkertijd ook geduld moeten oefenen en beseffen dat we misschien zelf niet de hoogste toppen van onze beweging zullen zien, maar dat die ooit, zonder twijfel, voor iedereen, voor generaties na ons zichtbaar zullen worden.
Een vierde. De meeste grote rivieren ontspringen in bergformaties, wellen op uit spleten in de rotsen, klateren van die rotsen naar beneden, naar waar mensen wonen. Het is een Bijbels beeld: herinner je hoe JHWH Mozes opdroeg met zijn staf op de rots te slaan en hoe daar water uit stroomde zodat het volk inde woestijn geen dorst moest lijden.
Het beeld van God als rots lezen we zo als de beschermer, de behoeder van de bron van levengevend water, van alles wat essentieel is om van te leven. Die er voor zorgt dat we niet uitdrogen en verschrompelen. Rots als levensschepper.
Wie ooit in de Bourgognestreek was, kent misschien de rots van Solutré. Het is een kalkrotsformatie die hoog uitsteekt boven het anders glooiende landschap. Dat is mijn vijfde beeld. Die rots vormt een baken, een richtpunt, een oriëntatiepunt voor iedereen in de streek, al eeuwenlang. Zo kan het ook een passend beeld voor God zijn. Daar waar we ons steeds kunnen op oriënteren, ook al is de weg van ons dagelijks leven moeilijk en bochtig, dat oriëntatiepunt verdwijnt nooit uit ons gezichtsveld. Onze intuïtie vertelt ons dat we er ons op kunnen richten, het is betrouwbaar.
Voor een zesde ga ik naar een anekdote die mijn vader me ooit vertelde. In een bepaalde periode van zijn leven leefde hij samen met een Québécois, een Franstalige Canadees, en die spreken, zoals u misschien weet, soms een raar soort Frans. Wanneer die man een steentje in zijn schoen had, gebruikte hij de uitdrukking “J’ai un roc dans mon soulier”, letterlijk “Ik heb een rots in mijn schoen”. Het brengt me onmiddellijk het beeld van een heel aanwezige God die me ook met wat ongemak opzadelt: het leven is niet altijd een feest, sommigen moeten een rotsblok meetorsen. Maar de rots in mijn schoen maakt ook dat ik me opgeroepen voel, er steevast op attent gemaakt wordt dat geloof geen zoethoudertje is, geen gemakkelijkheidsoplossing, maar juist aanspoort om op weg te gaan, om om te zien naar de mens die een rotsblok moet meetorsen, de mens die lijdt.
Ik eindig waar ik begonnen ben: met mijn cursus delfstofkunde, specifiek het hoofdstuk erosie.
Door het geweld van de natuurelementen, brokkelen rotsen langzaam af, ze worden grind, zand, klei. God schiep de mens uit klei, hoorden we in het scheppingsverhaal. Wij zijn mensen die uit het goddelijke geboren worden, we zijn uit hetzelfde materiaal gemaakt, uit hetzelfde hout gesneden, om een ander beeld te gebruiken. God is onze rots, onze oorsprong, daar waar we vandaan komen.
Een stevige basis, veellagig, opgestuwd vuur, levensschepper, richtpunt, een steen in de schoen, onze oorsprong.
Zevenmaal rots, maar wellicht moet het wel 77 maal of 777 maal. Het zal nooit genoeg zijn. Het zijn maar beelden, interpretaties die samen iets van het goddelijke proberen te beschrijven, te benaderen. En hoewel we het niet anders kunnen, het goddelijke zal altijd voorbij al die woorden en de beelden te zoeken zijn.
Dat zingen we uit met het volgende lied:
Jij die voor alle namen wijkt
Geen weg die in jouw verte reikt
Geen woord kan jou aanbidden.
Jij die niet hoogverheven troont
Licht dat in nacht en wolken woont
Een dode in ons midden.
Jij komt, wij weten dag noch uur,
Jij gaat voorbij, een dovend vuur
Een stilte in de bomen.
Roepend van ver, stem van dichtbij,
Niet overal, niet hier ben jij,
Niet god die wij ons dromen.
Geen veilig pad om langs te gaan,
Geen plek geen been om op te staan
Geen rots om op te bouwen.
Geen bron die uit de rotsen breekt
Geen bloed dat stuwt, geen hart dat spreekt,
Geen ziel om in te schouwen.
Geen gulden regel, rond getal,
Geen laatst gericht in dit heelal
Onwrikbaar onbewogen.
Maar mensen die verminkt en klein
Ontheemd ontkend toch mensen zijn,
Roepend om mededogen.
Roepende stilte, verre stem,
Als jij bestaat, besta in hen,
In mensen in ons midden.
Wees onbestaanbaar, ongehoord,
Besta in mij, onvindbaar woord,
Niet god die wij aanbidden.
Jij die mij kent, jij die mij boeit,
Ik die jou jij noem onvermoeid
En nog niet kan vergeten,
Zouden wij ik-en-niemand zijn
Ontheemd, ontkend, ontroostbaar zijn,
En van elkaar niet weten?
(Huub Oosterhuis)
GOD ALS HERDER
Wie noem je vriend of vriendin in je leven? Er zijn allerlei soorten relaties die ons met elkaar verbinden. Maar een vriend of vriendin is iets bijzonders. Je kunt op elkaar rekenen “in goede en kwade dagen”, zoals het heet. Je bent een soort herder voor elkaar.
Het is een mooi beeld: herder zijn voor elkaar. Het duurt een leven lang. Het voelt alsof iemand naar je toe gekomen is. Alsof een engel uit de hemel op je levensweg is gekomen. “Herder” is een term die ons wel bekend is uit de Bijbelse literatuur. Er zijn tal van verhalen waarin het herderschap vlees en bloed krijgt. Ik denk bijvoorbeeld aan psalm 23 die algemeen gekend is. De heer is mijn herder, niets kom ik tekort. Het is een psalm die vooral in bijzondere omstandigheden betekenis heeft.
Ik heb het vele malen meegemaakt wanneer mensen afscheid moeten nemen van elkaar of waar de dood zichtbaar nabij is. Afscheid nemen snijdt door je hart, maar als familie of geliefde, als kind of kleinkind wil je er bij zijn. De stervende mag niet alleen gelaten worden. Ik heb bij het kleine ritueel van afscheid nemen menigmaal psalm 23 gelezen. De psalm krijgt in deze context en heel aparte betekenis. “De heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets. Hij laat mij rusten in groene weiden, hij geeft mij nieuwe kracht. Al moet ik het donker in van de dood, ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij, uw stok en uw staf geven mij moed”. Het is vaak een heftig emotioneel moment, maar de psalm klinkt op een eigen manier zacht en teder. Als balsem op een wonde om wat onontkoombaar was. Ook in de pijn willen mensen elkaar nabij zijn. Ze willen het rouwen delen. Elkaars herder zijn.
Een heel andere betekenis ontleen ik aan een zomerse anekdote van lang geleden. Echt gebeurd. We zijn met enkele vrienden met vakantie in Andalousië. Vanop een heuvel staan we het prachtige landschap te bewonderen dat zich voor onze ogen ontvouwt. We genieten ervan met volle teugen. En dan zien we hoe daar in de vlakte beneden een kudde schapen aankomt, uiteraard begeleid door een herder en een herdershond die de kudde moet helpen samenhouden. Een pastoraal beeld. Plots is er een schaap dat uit de kudde wegloopt. Het springt weg is juister. De aanleiding waarom is niet duidelijk. Schapen zijn nu eenmaal koppig, heb ik ooit gehoord. In elk geval gaat de herder er achter aan, terwijl hij de rest van de kudde aan zijn lot overlaat. De arme herder heeft echter alle moeite om het weggelopen schaap te pakken te krijgen. Het schaap heeft er blijkbaar plezier in de herder voor de gek te houden door allerlei wilde sprongen uit te halen waardoor het bijzonder moeilijk is om het te pakken te krijgen. Uiteindelijk, de arme herder buiten adem, is het toch gelukt.
Iemand in de groep merkt op dat het gebeuren eigenlijk als een levende actualisering van de parabel die Jezus vertelt in het evangelie kan gezien worden. Jezus wil daarmee vooral iets vertellen over de herder. Een herder van een kudde van 100 schapen gaat op zoek naar het éne schaap dat dreigt verloren te lopen. Een herder laat niemand aan zijn lot over. De boodschap is duidelijk. Als de herder het schaap gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders en brengt het naar huis. Dat wil Jezus in elk geval met zijn beeld duidelijk maken. Tussen haakjes: het beeld is in de geschiedenis van de vroomheid inspiratie geweest voor tal van schilders die er min of meer gelukte uitbeeldingen van maakten. Beelden die soms ontaard zijn tot zeemzoetige sprookjesachtige figuren. Het weggelopen schaap zou er absoluut niet gelukkig mee zijn. Dat schaap wist namelijk wat het wilde. Het is geen kuddedier. De herder heeft daar respect voor. Zo moet ook Jezus zich het herderschap hebben voorgesteld. Er moet ruimte zijn voor veelkleurigheid. Ruimte ook voor hen die als dissident worden beschouwd. Hij kan toch niet bedoeld hebben dat we met zijn allen als een kudde bij elkaar moeten blijven. Allemaal dezelfde kostuums, hetzelfde denken en zeggen, even kleurloos.
Ik herinner me nochtans uit lang vervlogen tijden dat de kudde als model werd gesteld voor de gemeenschap van de gelovigen. Gelovigen worden geacht zich eensgezind achter het beleid te scharen van hen die herders worden genoemd. Lastige gelovigen zijn niet echt gewenst. De kudde symboliseert de eenheid van de gelovigen in de ware leer. Zo hoort het ook. Dat geldt ook voor hen die herders worden genoemd. Op hun beurt vormen ook zij een kudde die allemaal dezelfde leer verkondigen. De herder in de parabel voelt zich niet zo gelukkig in dat systeem. Hij wil ruimte laten voor verschillende soorten schapen. Hij laat niemand aan zijn lot over. Hij wil ieder in zijn eigenheid aanvaarden. De parabel is niet altijd op die manier begrepen geweest.
Het zogeheten weggelopen schaap heeft er voor gekozen zelf verantwoordelijkheid op te nemen. Gemeenschap kan alleen maar dynamisch en vitaal blijven wanneer verschillende stemmen elkaar proberen te begrijpen en te respecteren. Dat mag misschien chaotisch klinken, het schept hoe dan ook meer ruimte voor ieders persoonlijke roeping. Een kans om herder te zijn voor elkaar.
Niet als een storm, als een vloed,
niet als een bijl aan de wortel
komen de woorden van God,
niet als een schot in het hart.
Maar als een glimp van de zon,
een groene twijg in de winter,
dorstig en hard deze grond –
zo is het koninkrijk Gods.
Stem die de stilte niet breekt,
woord als een knecht in de wereld,
naam zonder klank zonder macht,
vreemdeling zonder geslacht.
Kinderen, armen van geest,
mensen gelouterd tot vrede,
horen de naam in hun hart,
dragen het woord in hun vlees.
Blinden herkennen de hand,
dovemansoren verstaan Hem.
Zalig de man die gelooft,
zalig de vrouw aan de bron.
Niet in het graf van voorbij,
niet in een tempel van dromen,
hier in ons midden is Hij,
hier in de schaduw der hoop.
Hier in dit stervend bestaan
wordt Hij voor ons geloofwaardig,
worden wij mensen van God,
liefde op leven en dood.
(Huub Oosterhuis)
TAFELDIENST
Jezus zat met zijn vrienden samen om pesach te vieren. Het was voor hen een heilige plicht de herinnering trouw te zijn aan de uittocht uit het slavenhuis van Egypte. Die herinnering zouden ze nooit opgeven. Want het gaat niet om het laatste avondmaal uit het verleden, het gaat om de hoop op bevrijding die mensen vandaag nodig hebben.
Wij worden op onze beurt gedreven door de geest van Jezus die ons vraagt op te richten wie neergeslagen zijn en alle hoop hebben opgegeven. We willen trouw zijn aan het woord van de evangelist Johannes. In het begin was het woord, en dat woord is in de wereld gekomen om op te richten wie neerliggen in moedeloosheid en cynisme. Jezus is het woord zelf geworden. Het woord dat leven schept, zoals in het begin van de schepping, het woord dat licht bracht in deze wereld.
Mogen we dat gedenken in deze maaltijd in verbondenheid: met allen die ons zijn voorgegaan en die de herinnering aan Jezus handen en voeten hebben gegeven. En we ontsteken ook het licht die zovele bondgenoten in de wereld brengen als een teken van hoop. Het solidariteitskaarsje.
Gezegend zijt Gij levende God
omwille van Hem de zoon van de mensen,
woord en gestalte van uw heerlijkheid,
beeld en gelijkenis van uw trouw,
die werd vernederd en gebroken,
die werd verheven in uw licht,
die wordt gehoord, die wordt geleefd,
die komen zal in deze wereld,
die ons een nieuwe naam zal geven,
die onze weg is door de dood,
die wij herkennen, die wij verkondigen
hier in het breken van het brood.
Gezegend zijt Gij om Jezus van Nazareth,
Die ten einde toe uw weg is gegaan.
In de nacht toen hij al wist dat hij lijden moest en sterven zou,
heeft hij het brood gebroken en uitgedeeld:
en gezegd: neem en eet,
dit is voor u mijn lichaam.
Aan dezelfde tafel heeft hij gezegd:
Kunt gij de beker drinken die ik drinken moet,
Drink dan, tot mijn gedachtenis,
deze beker van een nieuw verbond onder alle mensen.
Dat wij elkaar behoeden en doen leven.
Onze Vader
Vredeswens
Jezus heeft zijn vrienden vrede toegewenst. Het is ook zo’n woord dat door het uit te spreken, door het iemand toe te wensen nieuwe realiteit kan scheppen. Het woord kan vlees worden.
Wensen wij dan ook daarom die vrede aan elkaar toe.
Psalm 103
Jezelf een ademtocht te weten, een mens,
Verdwijnend in het onophoudelijk gaan en komen van namen en gezichten,
zo nameloos en ongekend, zo snel vergeten.
Jezelf een ademtocht te weten,
een bloem die amper bloeit en nauwelijks wortelen kan …
Met alle grote woorden, met alle zekerheid waarmee wij ons omgeven,
toch broos en breekbaar … en wij weten het.
Breekbaar als een droom in de morgen: zo snel zijn wij vergeten.
Dan toch je naam te horen noemen: jij bent gekend,
jouw naam zal ik bewaren, jouw leven valt niet uit mijn hand,
het blijft gedragen door mijn trouw.
Zo toch je naam te horen noemen:
zo van begin tot eind omarmd te zijn.
Ja, dat is Hij, die je bij blijft!
Een plek om te schuilen, een thuis,
steeds weer na alle zwerven, is Hij.
Liefde die wachten kan,
en hart ruimer dan heel ons leven.
Hij maakt ons méér dan een ademtocht;
Hij vult ons met zijn adem!
(Sytze de Vries)
Slotlied
Die mij getrokken uit de schoot
mij mens genoemd hebt en geëigend
mijn ogen wende aan het licht
mijn voeten zette dat ik stond
mij hebt doen weten dat ik gaan kon
dat ik zou komen waar Gij zijt
die als ik neerzit aan de kant
van weg en omweg, moe en dorstig,
mij overschaduwt met uw Naam
die toen ik neerlag in het stof
mij hebt omgeven met uw duister
dat geen gedierte mij verslond
die ongezien mij trekt tot U
U zal ik ongezien vertrouwen –
laat mij niet over aan mijzelf.
die ongezien mij trekt tot U
U zal ik ongezien vertrouwen –
laat mij niet over aan mijzelf.
(Huub Oosterhuis)

