Dominicus Gent
Viering van zondag 15 februari 2026
EVANGELIEVERHALEN DIE SCHUREN…
WELKOM
Het doet goed elkaar regelmatig te ontmoeten in dit samenzijn. We voelen ons verbonden met elkaar en ook met iets dat groter is dan onszelf. Dat stemt ons dankbaar omdat we weten dat ieder van ons hier kan en mag zijn met eigen besognes, eigen ervaringen, eigen gebeurtenissen die ons blij of bezorgd maken, met de vreugde die ons leven oplicht of met kommer om moeilijkheden waar we voor staan. Zoveel verschillende zaken die ons beroeren en die we mogen delen in dit samenzijn. We weten ons één lichaam. We drukken dit vertrouwen uit door de paaskaars die we telkens weer bij het begin van de dienst ontsteken.
We zijn toe aan de derde in een reeks vieringen waarin we het hebben over de betekenis van beeldspraak, parabels, symbolen die we tegenkomen in de teksten van de Bijbel en meer bepaald in het evangelie. In de eerste viering bespraken we bekende, vertrouwde beelden waarmee we God ter sprake brengen. Vorige week ging het over verhalen en parabels met een uitgesproken ethische dimensie. Vandaag hebben het over verhalen en parabels die ons tegen de haren in strijken. Waar we het moeilijk mee hebben.
Wellicht is dat eigen aan de zoektocht van deze gemeenschap en herkennen we ons in het op weg gaan zoals zovelen het ons hebben voorgedaan. Dat horen we ook in het lied Vroeg in de morgen, dat we nu ook willen zingen:
Lied : Vroeg in de morgen
Vroeg in de morgen, donker was het nog,
zijn wij gegaan, een keer,
nog in ons hart de dichtheid van de nacht.
Jij bent niet die wij dachten. Uit het vuur
riep ons bij naam een stem.
Wij zagen niets. Jij riep: ‘Ik zal er zijn’.
Op licht en schaduw, bomen aan de bron,
op stilte leek die naam.
Een gloed van liefde schroeide ons gezicht.
Om wat wij hoorden (maar wat hoorden wij?)
om wat op vrijheid leek,
omdat het moest en blijven niet meer kon
zijn wij gegaan, onstuimig en verward,
om nergens om, om jou –
om liefde over alle grenzen heen.
Een troep die sloft en zwerft, de richting kwijt.
De nagalm van een stem.
De weerklank van wat woorden in ons hart.
Een slingerende stoet naar goed wijd land.
Een eeuwenlang smal pad.
Een ademtocht, de route van het licht.
Het duizendschone schitterende licht,
een file in de nacht,
een spoor van mensen die de nacht verslaan.
Die strompelen tot waar? Tot waar jij bent,
in rusten aan de bron,
in gloed van liefde, vuur dat niet verflauwt.
Vroeg in de morgen, donker was het nog,
zijn wij gegaan, een keer,
met niets dan in ons hart: ‘Ik zal er zijn’.
T: Huub Oosterhuis M: Antoine Oomen
WOORDDIENST
1 Lastige bijbelpassages: flight, freeze, fight…
Alweer een lied met veel inspirerende beelden: de belofte ‘ik zal er zijn’, bron, licht, vuur dat niet verflauwt…
Maar …er zijn dus ook andere….
Er zijn bijbelteksten die tegen de borst stuiten, vreemde beelden en raadselachtige uitspraken die wringen. Sommige verhalen tekenen een liefdeloze zelfs onrechtvaardige God of een onbarmhartige Jezus; een Jezus die als het ware met zichzelf in tegenspraak is- of toch in tegenspraak met het beeld dat wij van hem hebben. Slechts enkele voorbeelden?
• “Ik ben geen vrede komen brengen maar het zwaard” (Mt 10, 34)
• Eveneens bij Matteüs (12:48-50): Wanneer men aan Jezus zegt dat zijn moeder en broers buiten wachten: “Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers? … wie de wil van mijn Vader doet, die is mijn broeder en zuster en moeder.”
• Iets gelijkaardigs bij Lucas (14,26)”Als iemand tot Mij komt en zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn.” Vreemd. Staat er niet geschreven dat je vader en moeder moet eren én dat Jezus de wet niet afschaft maar die komt vervullen?
• Veel gelijkenissen roepen vragen op:
– De 10 bruidsmeisjes die op de bruidegom moeten wachten en licht gaande moeten houden (Mt 25, 1-13) Waarom waren er vijf gebrieft over wat er verwacht werd en de andere niet? Was daar geen ceremoniemeester om alles in goede banen te leiden?
– En die knecht die ter goeder trouw dat ene talent begraaft maar wiens heer bij terugkeer zo kwaad wordt dat hij hem dat weinige afpakt, hem een nutteloze dienaar noemt én hem naar eeuwige duisternis verbant (Mt 25, 14-30). Is dat in verhouding?
– En dan de plukkers die voor dag en dauw én in de brandende zon in de wijngaard werkten om op het eind van de dag evenveel uitbetaald te krijgen dan zij die pas te elfder ure begonnen. Welke bizarre logica zit daar achter?
– Denken we tot slot aan verhalen waar Jezus ongemeen bot of uit de hoogte is tegen vrouwen.
o Op de bruiloft van Kana tegen zijn moeder: “Vrouw, wat wilt ge van mij. Mijn tijd is nog niet gekomen” (Jo 2, 4);
o tegen de vrouw aan de waterput: “Geef mij te drinken (…) Als ge wist wie het is die u om water vraagt… “(Jo 4, 7b; 10b).
o En hoe Jezus reageert op de vreemdelinge die smeekt voor haar zieke kind: “ik ben alleen voor de kinderen van Israël gekomen en brood dat voor kinderen bedoeld is kan niet aan honden gegeven worden”. (Mt 15, 21-28 & Mc 7, 24-30):).
Pfft…
Hoe met lastige bijbelpassages omgegaan wordt lijkt op hoe wij en andere levende wezens met moeilijkheden in het algemeen omgaan: vluchten, verlammen of vechten. Drie mogelijke fysiologische reacties die emoties reguleren om stress te vermijden of te beheersen, beter bekend als “flight-freeze-or fight”.
Flight- vluchten. Van de moeilijkheid in de tekst wegschaatsen: uitgaan van een vergissing bij de auteur, kopiist of vertaler. Nu en dan lees je dat bij bijbeltoelichtingen, meestal als opstapje voor wat de commentator zelf ziet als ‘juiste’ vertaling, juiste lezing.
De freeze-bevriezen-reactie herken je wellicht ook: de moeilijke passages niét lezen of er enkele zinnen uitlaten bij het voorlezen, of een andere tekst kiezen die beter past bij punt dat jij wil maken, enz.
Deze gelijkende omgangsvormen met bijbelteksten hebben iets ‘harmoniserend’ – ze willen dat de bijbeltekst overeenkomt met wat wijzelf of onze tijd en omgeving nu eenmaal verwachten van een bijbeltekst, verwachten van Jezus.
Fight-vechten is van een andere orde en onderkent de bijbel als openbaring van de onnoembare die voor alle namen wijkt. De confrontatie wordt niet uit de weg gegaan: je leest wat er staat, ook al weet je dat de bijbel niet letterlijk gelezen moet worden -en er dus niét staat wat er staat-. Je laat de moeilijke woorden en zinnen staan, je worstelt ermee en hoopt en gelooft dat er ooit licht op valt. Wat hierbij een handje helpt is je verdiepen in de toenmalige context en de tekst tegen die achtergrond lezen… dat is iets wat we na het zingen ook gaan doen.
Lied : Jij die voor alle namen wijkt
Jij die voor alle namen wijkt
geen weg die in jouw verte reikt
geen woord kan jou aanbidden.
Jij die niet hoogverheven troont
licht dat in nacht en wolken woont
een dode in ons midden.
Jij komt, wij weten dag noch uur,
jij gaat voorbij, een dovend vuur
een stilte in de bomen.
Roepend van ver, stem van dichtbij,
niet overal, niet hier ben jij,
niet god die wij ons dromen.
Geen veilig pad om langs te gaan,
geen plek geen been om op te staan
geen rots om op te bouwen.
Geen bron die uit de rotsen breekt
geen bloed dat stuwt, geen hart dat spreekt,
geen ziel om in te schouwen.
Geen gulden regel, rond getal,
geen laatst gericht in dit heelal
onwrikbaar onbewogen.
Maar mensen die verminkt en klein
ontheemd ontkend toch mensen zijn,
roepend om mededogen.
Roepende stilte, verre stem,
als jij bestaat, besta in hen,
in mensen in ons midden.
Wees onbestaanbaar, ongehoord,
besta in mij, onvindbaar woord,
niet god die wij aanbidden.
Jij die mij kent, jij die mij boeit,
ik die jou jij noem onvermoeid
en nog niet kan vergeten,
zouden wij ik-en-niemand zijn
ontheemd, ontkend, ontroostbaar zijn,
en van elkaar niet weten?
T: Huub Oosterhuis M: Genève 1551
Mt 18, 1-9
1In die tijd kwamen de leerlingen bij Jezus en zeiden: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk der hemelen?’ 2Hij riep een kind, zette het in hun midden 3en zei: ‘Ik verzeker jullie, als je niet verandert en wordt als kinderen, kom je het koninkrijk der hemelen niet eens binnen. 4Wie zich dus klein maakt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk der hemelen. 5En wie één zo’n kind bij zich ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. 6Maar wie één van deze kleinen die op Mij vertrouwen ten val brengt, kan beter met een molensteen om zijn nek in volle zee gegooid worden. 7Wee de wereld, die zo vaak mensen ten val brengt. Want al zijn valstrikken onvermijdelijk, wee de mens die een ander ten val brengt. 8Als je hand of je voet je ten val brengt, hak hem dan af en gooi hem weg. Je kunt beter verminkt of kreupel het leven ingaan dan met twee handen of voeten in het eeuwige vuur gegooid worden. 9Als je oog je ten val brengt, ruk het dan uit en gooi het weg. Je kunt beter met één oog het leven ingaan dan met twee ogen in het hellevuur gegooid worden. 10Pas op dat je niet op één van deze kleinen neerkijkt, want Ik zeg jullie: hun engelen in de hemel zien voortdurend het gelaat van mijn Vader in de hemel.
(willibrordvertaling 1995 )
2 Het voordeel van de duidelijkheid
Het kan alleen maar tegen de borst stoten. Dit is echt geen manier om een gemeenschap te vormen. De taal die Jezus volgens de evangelist gebruikt is continu in tegenspraak met al die andere mooie woorden die zijn verkondiging kenmerken. Het is blijkbaar gemakkelijk te spreken over liefde en verbondenheid, over broeders en zusters, over barmhartigheid en over vergeving tot zeventig maar zeven maal toe. Maar zoals hij nu te keer gaat: dat kan zelfs voor gelovige mensen niet door de beugel. Gelukkig begint hij zijn toespraak met een kind in het midden te plaatsen. Dit is nog iets dat we begrijpen. Het zijn de kleinen die zalig geprezen worden, zij zijn de grootsten in het koninkrijk der hemelen. Zo hoort het: zachtmoedig en zoet, en vriendelijk voor de kinderen. Maar wat bezielt hem dan om vervolgens een heel andere toon aan te slaan?
Gelukkig weten we niet of Jezus het allemaal zo gezegd heeft. Het is de evangelist Mattheüs die hem al die woorden in de mond legt. Het is belangrijk te weten dat het gebeurt op het einde van de eerste eeuw. Dan staat Mattheüs voor de uitdaging die jonge geloofsgemeenschap zo goed mogelijk in de hand te houden. Die gemeenschap bestaat in belangrijke mate uit mensen met een joodse achtergrond maar er zijn ook mensen bij die een heel andere achtergrond hebben. We weten dat Jezus zijn optreden begonnen is in Galilea. En Galilea heeft geen goede naam. Het is een achtergebleven regio, waar niet veel te beleven is, maar waar wel heel wat passage is van mensen met een andere achtergrond. Er zijn mensen bij met een Aramese, Arabische, Fenicische en Griekse achtergrond. Of die allemaal zomaar hartelijk welkom zijn in die joodse gemeenschap is niet meteen duidelijk.
Die spanning tussen “joods” en “anders” is op vele plaatsen voelbaar. Zeer duidelijk is dat in het verhaal van de ontmoeting die Jezus heeft met de Kanaänese vrouw. (Mt 15, 22-26). Ten einde raad komt zij bij Jezus om zijn hulp voor haar zieke dochter te vragen. Maar ze vangt bot. “Ik ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël“ zegt Jezus. De vrouw geeft echter niet toe. Zij geeft een eigen interpretatie aan dat zogeheten “huis van Israël”. Ze recht haar rug en roept Jezus ter verantwoording. Haar vastberadenheid betekent een doorbraak in het joodse denken. Jezus laat zich niet alleen overreden, hij bewondert haar en moedigt haar aan. “U hebt een groot geloof. Wat u verlangt zal ook gebeuren”, verbetert hij zichzelf tegenover haar. Het is een veelzeggend verhaal dat de spanning in de jonge gemeenschap voelbaar maakt.
Mattheüs is zich ook van die spanning bewust. Hij stelt een leefregel op die de verstandhouding binnen de gemeenschap enigszins moet garanderen. Deze leefregel/gedragscode staat te lezen in het hoofdstuk 18 in het boekje van Mattheüs. Het is een aaneenschakeling van raadgevingen, vermaningen, verhalen die de eerste christengemeenschap moet inspireren. Mooie woorden en vrome bedoelingen worden aan elkaar geregen. Op die manier wil Mattheüs een positieve sfeer levend houden.
We mogen van geluk spreken dat Mattheüs het verstand heeft zijn gedragscode te beginnen met het kind in het midden. Zij zijn de grootsten in het rijk der hemelen. Maar eenmaal dit gezegd zijnde is het alsof Mattheüs de pedalen kwijt is. Wat hij Jezus dan in de mond legt is verbijsterend. “Wie één van deze geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt kan maar beter met een molensteen rond zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken”.
Zou Jezus dat echt gezegd hebben? Het is in elk geval geen erg vriendelijke manier van spreken. Niet bepaald christelijk. Er is blijkbaar ook geen ruimte voor barmhartigheid. Niet eens voor rechtvaardigheid. Je zou verwachten dat wie ergens van beschuldigd wordt minstens recht heeft op zelfverdediging. Die molensteen als oplossing klinkt nogal trumpiaans.
Wat Mattheüs Jezus verder nog allemaal in de mond legt over het afhouwen van handen en voeten heeft vooral iets van een slagveld. Of is het de bedoeling mensen aan het schrikken te brengen zodat ze zich verplicht voelen stil te staan bij hun manier van omgaan met elkaar. Liefst geen slagveld, maar zorg dragen voor wat en wie ons dierbaar zijn: daar komt het op aan.
Mattheüs speelt het slim/verstandig. Zijn gedragscode is niet conform de visie van de priesters en Schriftgeleerden van Jeruzalem die daar hun eigen mening over hebben. Zij zijn zeker van hun stuk. Zij weten wat er in de boeken staat, en daarmee weten ze genoeg. Het is maar de vraag of ze ook voeling hebben met het dagelijks leven met zijn soms ingewikkelde situaties. We herkennen deze spanning tot op vandaag. De heilige boeken waarin de waarheid staat die onveranderlijk is en de steeds nieuwe uitdagingen van het dagelijks leven waar we op een verantwoorde manier leren mee omgaan.
Een molensteen is erg radicaal. Het beeld heeft het voordeel van de duidelijkheid. En wel om ernst te nemen met onze verantwoordelijkheid in de wereld waarin we nu leven.
Om die gemeenschap te vormen weten we ons aangewezen op elkaar om een stap te zetten richting het rijk der hemelen. “te doen gerechtigheid”.is de uitdaging die we samen dragen, over alle grenzen heen:
Lied : Te doen gerechtigheid
Te doen gerechtigheid
hebt Gij ons aangezegd
Dat woord heeft ons bevrijd,
elk ander ons geknecht.
Geef dat ons niets weerhoudt
die lange weg te gaan.
Dat elk zich nu verstout
uw richting in te slaan.
Wier dagen Gij bezocht,
wier harten Gij doorgrondt,
voor wie Gij hebt gewrocht
de aarde en de zon;
wier toekomst is in U,
Gij maakt hun leven waar –
mocht Gij hen hier en nu
bekeren tot elkaar.
Dat niemand hen kleineert
die Gij wilt maken groot,
voor wie Gij hebt geslaakt
de boeien van de dood.
Opdat wij zouden staan
vrij voor uw aangezicht,
getekend met uw Naam –
en leven in uw licht.
T: Huub Oosterhuis M: Gelukkig is het land
TAFELDIENST
Dank voor de stilte, jullie inbreng en gebed.
Welkom aan die tafel van 2000 jaar waaraan we mogen aanschuiven. We doen dat in goed gezelschap van de mensen die ons in de dood zijn voorgegaan
We weten ons verbonden met allen die waar ook ter wereld volhouden met het goede te doen, gerechtigheid te doen.
Rond deze tafel herinneren wij ons een naam, een oud verhaal over een mens die vol was van Gods kracht. In hem was Gods genade, mildheid en trouw te zien. Zo werd duidelijk hoe Gij, eeuwige, onnoembare, tussen ons aanwezig zijt: weerloos en zelveloos, dienaar van mensen.
Hij was zoals wij zouden willen zijn: een mens van God, een vriend, een licht, een herder, die niet ten eigen bate heeft geleefd, en niet vergeefs, onvruchtbaar, is gestorven.
Laten we samen het tafelgebed zingen:
Tafelgebed : Gij die weet
Gij die weet wat in mensen omgaat
aan hoop en twijfel, domheid,
drift, plezier, onzekerheid.
Gij die ons denken peilt
en ieder woord naar waarheid schat
en wat onzegbaar onmiddellijk verstaat.
Gij toetst ons hart
en Gij zijt groter dan ons hart.
Op elk van ons houdt Gij uw oog gericht.
En niemand, of hij heeft een naam bij U.
En niemand valt of hij valt in uw handen
en niemand leeft of hij leeft naar U toe.
Maar nooit heeft iemand U gezien.
In dit heelal zijt Gij onhoorbaar.
En diep in de aarde klinkt uw stem niet.
En ook uit de hoogte niet.
En niemand die de dood is ingegaan
keerde ooit terug om ons van U te groeten.
Aan U zijn wij gehecht. Naar U genoemd.
Gij alleen weet wat dat betekent. Wij niet.
Wij gaan de wereld door met dichte ogen.
Maar soms herinneren wij ons een naam,
een oud verhaal dat ons is doorverteld,
over een mens die vol was van uw kracht,
Jezus van Nazareth, een Jodenman.
In hem zou uw genade zijn verschenen,
uw mildheid en uw trouw.
In hem zou voorgoed aan het licht
gekomen zijn hoe Gij bestaat:
weerloos en zelveloos, dienaar van mensen.
Hij was zoals wij zouden willen zijn:
een mens van God, een vriend, een licht,
een herder, die niet ten eigen bate
heeft geleefd, en niet vergeefs,
onvruchtbaar, is gestorven.
Die in de laatste nacht dat hij nog leefde
het brood gebroken heeft en uitgedeeld,
en heeft gezegd: Neemt, eet, dit is mijn lichaam –
zo zult gij doen tot mijn gedachtenis.
Toen nam hij ook de beker en hij zei:
Dit is het nieuw verbond, dit is mijn bloed,
dat wordt vergoten tot vergeving van uw zonden.
Als je uit deze beker drinkt, denk dan aan mij.
Tot zijn gedachtenis nemen wij daarom
dit brood en breken het voor elkaar,
om goed te weten wat ons te wachten staat
als wij leven hem achterna.
Als Gij hem hebt gered van de dood,
God, als hij, dood en begraven, toch leeft bij U,
red dan ook ons en houd ons in leven,
haal ook ons door de dood heen, nu.
En maak ons nieuw, want waarom hij wel,
en waarom wij niet –wij zijn toch ook mensen.
tekst: Huub Oosterhuis; muziek: Bernard Huijbers
Onze Vader
Vredeswens
Mogen we elkaar respecteren en bemoedigen
in de keuzes die we maken, kleine en minder kleine.
Mogen we ons gedragen weten door een stem
die ons aanspreekt en ons keert naar elkaar,
zodat we elkaar tot vrede zijn.
Communie
ZENDING
Fragment uit De oproeping – (strofe V) KORAAL
(…)
Hoewel het door Uw kinderen schots
en scheef geschreven is,
zal Uw Woord eeuwig leesbaar zijn
en houdt zijn Zin een vaste lijn
en is zelfs zonde in Uw oog
vol van betekenis.
Dring Uw beloften aan ons op
in alle nood en pijn;
wees in ons zoeken zekerheid
en laat het niets ontziende feit
voor ons de weg naar Avontuur
en Kunst en Vrede zijn.
Bron: Michel van der Plas, De oevers bekennen kleur. Verzamelde gedichten.
Anthos/Lannoo, 1994, p.423-laatste ‘strofe’.
Lied : Uittochtlied
Alsof de richting ons werd ingeschapen
gaan wij, de onbegonnen lange weg.
Een harde dienst is van ons afgenomen.
Vrijheid van spreken is ons aangezegd.
Alsof de richting ons werd ingeschapen
gaan wij, de onbegonnen lange weg.
Een harde dienst is van ons afgenomen.
Vrijheid van spreken is ons aangezegd.
Sprekend alleen zullen wij op Hem lijken
die sprak: Het worde licht, Ik zal er zijn.
Nog eeuwen en wij zullen woorden vinden,
nieuwe zonsopgang boven de woestijn.
Er zal een land zijn uit de zee gespaard.
Er zullen mensen zijn, uit ons geboren.
De grond zal nog de grond zijn,
het gezaaide zal sterven en ontbloeien.
Het wordt zomer.
En het wordt winter. En de afgrond daalt
over de aarde, diepe zee van eeuwen
waarin wij weg zijn. En weer zullen slaven,
uit ons geboren om bevrijding schreeuwen.
En weer zullen slaven,
uit ons geboren om bevrijding schreeuwen.
En weer zullen slaven,
uit ons geboren om bevrijding schreeuwen.
En weer zullen slaven,
uit ons geboren om bevrijding schreeuwen.
tekst: Huub Oosterhuis; muziek: Antoine Oomen
