VIERING : HOOP VOLHOUDEN (VASTEN 4)

Dominicus Gent

Viering van zondag 15 maart 2026

Standhouden in verzet… (vasten 4)

 

Van harte welkom allen hier en allen thuis die deze viering meevolgen.
Naar goede gewoonte ontsteken we de paaskaars als teken van onze verbondenheid met allen die in het voetspoor willen treden van Jezus van Nazareth.

Dit is de vierde viering in een reeks van vijf waarin we de vraag stellen hoe we ons in deze 40dagentijd kunnen verzetten tegen alle vormen van pessimisme en doemdenken. Vandaag focussen we op de vraag hoe we in dat verzet kunnen standhouden. Hoe we in het aangezicht van de angst blijven kiezen voor hoop. Zo is het ook vandaag in deze viering. We willen de vraag stellen hoe we die hoop kunnen volhouden, hoe we op lange termijn onze solidariteit gestalte geven.

Laten we beginnen met wat we allen broodnodig hebben: Vrede voor jou

Vrede voor jou, hierheen gekomen,
zoekend met ons om mens te zijn.
Jij maar alleen, jij met je vrienden,
jij met je last, verborgen pijn:
vrede, genade, God om je heen,
vergeving, nieuwe moed, voor jou en iedereen

Niemand komt hier, vrij van het kwade.
Niemand gaat hier straks weer vrijuit.
Niemand te veel, niemand te weinig,
niemand te groot, geen een te klein.
Dit wordt verbeeld in woord en gebaar,
tot ooit en overal wij leven van elkaar

Jij die ons kent, jij die ons aanvoelt,
jij die de hele wereld draagt,
kom naar ons toe, leer ons te leven,
help ons te zien wat ieder vraagt:
tijd om te leven, kans om te zijn,
een plek om nu en ooit gezien, aanvaard te zijn.
(Jan van Opbergen)

 

Dat we onrustige of bijwijlen angstwekkende tijden beleven, hoeft geen betoog. De oorlogsheren halen verpletterend uit zonder oog voor mogelijke gevolgen en menselijk leed, “it happens”; het recht en de democratie lijken op vele plaatsen te wankelen, in een paar uren of dagen wordt afgebroken waaraan jaren en soms eeuwenlang is gebouwd.

Een paar weken geleden werden in Minneapolis Alex Pretti en Renee Good door ICE-knokploegen vermoord. Pretti en Good, hun namen konden niet symbolischer zijn: het mooie en het goede liggen in deze wereld onder vuur. En bij de uitleg daarover van de overheid sneuvelde ook nog eens de waarheid.
Alex en Renee waren mensen die actief, maar vreedzaam verzet leverden tegen de brutale en onrechtmatige aanpak van de grens- en immigratiepolitie.
Dat verzet, vergis je niet, is zeer uitgebreid en wordt door vele mensen ondersteund, zelfs in de barre koude. Anne Provoost schreef daarover eind januari een stuk in De WereldMorgen. Ze laat er een positief geluid klinken over hoe verzet vorm krijgt in vele kleine acties: er ontstaan informele netwerken om te waarschuwen voor de ICE-agenten, acties worden geregistreerd en gefilmd, kerken veranderen in voedselverdeelcentra en verschillende geloofsgemeenschappen slaan de handen in elkaar. Wat zich daar afspeelt, is niet het gevolg van een groot plan, maar van vele mensen die rondkijken, zien wie kwetsbaar is en hun dagelijks leven herorganiseren om elkaar te beschermen. Er wordt gedaan wat nodig is, met de middelen die voorhanden zijn. Verzet en engagement in zijn meest elementaire vorm tegenover flagrant onrecht.
Niet alleen daar, ook hier en op vele plaatsen blijven mensen op vele manieren opkomen voor wie dreigt uit de boot te vallen, via engagementen die soms vele jarenlang volgehouden worden.
Uit haar vele contacten concludeert Anne Provoost dat deze aanpak, deze opstand zeker zal slagen.

Maar zijn dat geen wensdromen? Wat maakt dat deze wel zou kunnen slagen, wat maakt dat we engagement en verzet soms een leven lang kunnen volhouden?

Laat me die vraag eens met een ingenieursblik benaderen: wat heb je nodig om iets, een motor bijvoorbeeld, te starten en gaande te houden. Ontsteking, één of andere vorm van energie en evident ook een doel waarvoor je die motor wil gebruiken. Anders is het verspilde energie.

We beginnen bij de ontsteking. Dat is in onze context ongetwijfeld de verontwaardiging. Je wordt midscheeps geraakt door het zien van onrecht, door een gevoel van “dit kan toch niet”. Verontwaardiging is een sterk gevoel, er ontploft soms zelfs even iets in je hoofd. Het wordt een sterke en noodzakelijke krachtbron.
Je herinnert je in die zin misschien nog het kleine pamflet dat Stéphane Hessel, Duits-Franse concentratiekamp-overlever in 2010 daarover schreef: “Indignez-vous”, vertaald als “Neem het niet!”. Hij pleit er onomwonden voor het cultiveren van die verontwaardiging, verontwaardiging om de groeiende kloof tussen arm en rijk, om de macht van het geld, om het onmenselijke migratiebeleid, om de afbraak van het verzorgingssysteem en de aantasting van de mensenrechten. Verontwaardiging komt bij ons op wanneer we geconfronteerd worden met acties die bedreigen en schenden wat wij als waardevol beschouwen. Wanneer het waardevolle ont-waard wordt. Wanneer het mens-on-waardig wordt (“in-digne”). Het wordt zo een keuze voor goed of kwaad.

Maar net zoals bij een motor, kan deze plotse opwelling de motor terug laten uitslaan omdat ze soms te groot is. Het onrecht kan zo groot zijn en de uitweg zo nauw lijken, dat het je platslaat en je je cynisch geworden opkrult in je eigen cocon: “Ach, er is toch niets aan te doen, het is altijd zo geweest en het zal altijd zo zijn”. Toch zien we bij vele mensen het tegenovergestelde gebeuren: het zet ze wel in gang omdat ze zien dat dingen mogelijk zijn, dat de hele mensengeschiedenis toont dat alles kan veranderen, dat niets bij het oude moet blijven, dat er sprekende voorbeelden te over geweest zijn die die verandering bewerkstelligd hebben. Dan is verontwaardiging tegelijkertijd ontsteker, maar ook blijvende energie voor wie zich wil laten raken.

Stéphane Hessel heeft na zijn pamflet nog een lang interview gegeven dat ook is uitgegeven als boekje met de titel “Engagez-vous”. Hij roept daarin op tot vreedzame maar actieve inzet: niet bij de pakken gaan neerzitten, maar meedoen aan politieke en maatschappelijke bewegingen, je informeren, stemmen, intellectueel bijdragen en niet in passiviteit of cynisme blijven hangen. Dat vraagt soms enige creativiteit, zoals de inwoners van Minneapolis getoond hebben, wanneer ze bijvoorbeeld gewoon met fluitjes de komst van de ICE-agenten aankondigen, zodat iedereen zich op tijd kan wegmaken. Het gebeurt in stilte alle dagen wanneer kiezers in de VS hun volksvertegenwoordiger opbellen om te protesteren en hen te vertellen dat ze de volgende keer niet meer voor hem of haar zullen stemmen, tenzij. Het zijn juist al die kleine daden die het haalbaar maken, die de draagkracht van de mens niet overschrijden. Ze slaan elk apart misschien geen deuk in een pakje boter, maar tezamen betekenen ze toch heel veel verschil. Zo ook in Minneapolis: er vormen zich spontane en informele groepen die de handen in elkaar slaan, waar andere mensen zich spontaan bij aansluiten. Ze krijgen er het gevoel dat hun actie zin heeft, ze geloven erin dat ze een verschil kunnen maken, dat ze het niet alleen moeten doen en dat er zelfs op hen gerekend wordt. Wat ze doen, heeft zin, krijgt zin en geeft zin.
Verontwaardiging om onrecht en de overtuiging er niet alleen voor te staan vormen de brandstof, zijn noodzakelijke ingrediënten van het engagement, maar het is het gestelde doel dat zal maken dat de inspanning volgehouden kan worden.

Dat doel is groter dan onszelf en onze eigen emotie. De Ierse verhalenverteller Martin Shaw stelt dat wij mensen een gat in ons hart hebben dat moet worden opgevuld met een mythe, met een groot verhaal. We verlangen intrinsiek in ons persoonlijke en gezamenlijke leven naar een vorm van sacraliteit, waardoor we ons kunnen verheffen tot iets groters. Wij mensen kunnen eigenlijk niet zonder en ook al lijken die grote verhalen die in de voorbije eeuw nog prominent waren, nu wat weggedeemsterd, we blijven leven in een sacrale ruimte waar mythes nog steeds de dienst uitmaken. We zien ze overal rondom ons: de mythe van de absolute autonomie, van de rationaliteit, van de vrije markt, van de grote leider en eigen volk eerst. Dat zijn de mythes die je kunnen betoveren, die je meenemen en je losmaken van wie je echt bent.
Mensen die protest en engagement jarenlang kunnen volhouden, bekennen zich tot de grote verhalen die je daarentegen kunnen bezielen: die van de menselijkheid, van de solidariteit, van de gemeenschappelijkheid, die van bevrijding. Iets zegt me dat die hier meer aanhang hebben. Die verhalen kunnen je optillen en je groter maken, zij brengen zin in dit bestaan. En ze doen je verontwaardigd of boos worden wanneer iemand ze bedreigt, omdat ze raken aan wie je als mens ten diepste bent.
Zo’n verhaal maakt dat je geen nood hebt aan succes om het vol te houden, dat zelfs mislukking je niet platslaat, omdat je weet hebt dat het kan ooit, en toch, een plek waar de utopie geen utopie meer zal zijn, waar een nieuw Jeruzalem zal verrijzen, waar we mogen zingen van Gods vrede. Oefenen we dat alvast nu al met dit lied

Hoe lang nog gaan wij over straten
die de dood heeft geplaveid,
hoelang nog ademen wij gassen
van hogerhand voor ons bereid
hoelang nog geven wij slechts wapens
aan een kind dat vraagt om brood
hoelang nog is geweld ons heilig
wanneer het onze macht vergroot

wij willen zingen van gods vrede
de nieuwe stad Jeruzalem
wij zullen zien hoe in uw straten
de armen lachend gaan.

Hoe lang marcheren wij op wegen
die dood heeft aangelegd
hoe lang nog leren wij te haten
een volk dat voor zijn vrijheid vecht
hoelang nog voeren wij
een oorlog tegen boeren zonder land
hoelang nog plund’ren wij de aarde
geven wij gif aan dier en plant

wij willen zingen van gods vrede
de nieuwe stad Jeruzalem
wij zullen zien hoe in uw straten
de armen lachend gaan.

Hoelang nog blijven wij gehoorzaam
aan de planners van dood
hoelang beroven wij de armsten
van hun grond en van hun brood
hoelang nog stelen wij de dagen
van hun korte levenstijd
hoelang nog zijn wij blind voor liefde
is in ons alles haat en nijd

wij willen zingen van gods vrede
de nieuwe stad Jeruzalem
wij zullen zien hoe in uw straten
de armen lachend gaan.
(Dorothee Sölle)

 

Evangeliezing: Matteüs 5, 1-12

Toen Hij de mensenmassa zag, ging Hij de berg op. Daar ging Hij zitten met zijn leerlingen om zich heen. Hij nam het woord en onderrichtte hen:
‘Gelukkig wie nederig van hart zijn,
want voor hen is het koninkrijk van de hemel.
Gelukkig de treurenden,
want zij zullen getroost worden.
Gelukkig de zachtmoedigen,
want zij zullen de aarde bezitten.
Gelukkig wie hongeren en dorsten naar de gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.
Gelukkig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Gelukkig wie zuiver van hart zijn,
want zij zullen God zien.
Gelukkig de vredestichters,
want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden,
want voor hen is het koninkrijk van de hemel.
Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van Mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. Verheug je en juich, want je zult rijkelijk beloond worden in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie de profeten.

 

Wanneer Matteüs zijn evangelie schrijft, staat de Romeinse macht stevig gevestigd in wat nu Europa genoemd wordt. Van vreedzame onderhandelingen met de lokalen kan geen sprake zijn. De luttele opstootjes van enkele zelotische groepen worden meteen de kop ingedrukt. Er zijn nog wel enkele schermutselingen en pesterijen over en weer. Tot het de Romeinen teveel wordt en ze het hart van de joodse gemeenschap onderuithalen: de tempel in Jeruzalem wordt met de grond gelijkgemaakt. In het jaar 70.

Jezus van Nazareth heeft de eerste decennia van deze periode meegemaakt. Zijn optreden had de joodse overheden reeds heel wat ergernis bezorgd. Vooral de heisa die hij had veroorzaakt in de tempel was er te veel aan. De joodse priesters en Schriftgeleerden willen hem weg. Ze zijn niet te beroerd om een beroep te doen op de Romeinse macht om hem uit de weg te ruimen.

En toch is daarmee de veerkracht van Jezus’ vrienden niet gebroken. Ze houden vol hun manier van leven afte stemmen op de inspiratie die ze van hem hebben onthouden. Het is de Romeinen ongetwijfeld heel bizar overgekomen. Dergelijke houding kon alleen afkomstig zijn van een stel achterlijke en ongecultiveerde pummels. Mensen die ver blijven van het bruisende Romeinse leven, en die niet beseffen wat er aan vertier te beleven valt. Hoe dom kun je zijn. Maar neen, zij houden zich aan hun overtuiging. Ook de “brood en spelen” affiches kunnen hen niet bekoren. Ze hebben met Jezus iets heel anders beleefd, iets dat hun leven een nieuwe en diepere betekenis heeft gegeven.

Wat de Romeinen als “cultuur” en “gerechtigheid” beschouwen ziet er helemaal anders uit dan ze van Jezus geleerd hebben. Eén van de merkwaardige momenten die ze zich herinneren is zijn toespraak op de berg geweest. “Gelukkig wie nederig van hart zijn, want hun behoort het rijk der hemelen”. Zo is hij zijn fameuze Bergrede begonnen. En hij heeft dat uitvoerig toegelicht door juist al dié groepen mensen te noemen die door de Romeinen als onnozel en achterlijk beschouwd werden: De treurenden, de zachtmoedigen, de barmhartigen, enz..

“Wat dwaas is in de ogen van de Romeinen wordt door Jezus’ volgelingen als wijsheid ervaren” Deze uitspraak gaat terug op een zekere Paulus. Kort na Jezus’ executie komt hij onder de indruk van de levensstijl van de volgelingen die hij leert kennen. “Hoe vrij die mensen zich voelen”. Zoals Jezus een vrije mens is geweest. Paulus hoort over de genezende, helende kracht die van die Jezus uitgaat. Hij, Paulus, is zozeer onder de indruk dat hij het overal, wereldwijd, wil gaan vertellen. Dat valt niet mee, want hij komt in aanvaring met de Romeinen. Voor hen is de verering van de keizer als goddelijke gestalte een dwingende plicht. Voor Paulus is dit een verknechting die de vrijheid in de weg staat. Paulus brengt een beweging tot leven die voor heel wat mensen een perspectief van bevrijding betekent. Een beweging die zich uitbreidt. Tot ver over grenzen heen.

Als illustratie lezen we omstreeks het jaar 150 in een anonieme brief aan een zekere Diognetus, een vooraanstaande heiden: “De christenen onderscheiden zich niet van andere mensen door taal, vaderland of kledij. Ze wonen niet in eigen steden, gebruiken geen afwijkend dialect en leven geen uitzonderlijk leven. Ze trouwen als ieder ander maar leggen hun kinderen niet te vondeling”. En bij de evangelist Lucas lezen we dat christenen alles gemeenschappelijk hadden en dat er geen noodlijdende was in hun midden” (Hand.)

Christenen herinneren zich hoe Jezus in zijn onderricht een kind in het midden roept als toonbeeld van onschuld en verwondering. Meerdere keren is hij zijn onderricht in die termen begonnen. “Als ge niet wordt als kinderen kunt ge het rijk der hemelen niet binnengaan”. Zijn optreden en zijn verkondiging roepen een heel andere wereld tot leven dan hetgeen voor de Romeinen belangrijk is.

Wij leven in een heel andere tijd. En toch weer niet. Nog steeds geldt “Gelukkig wie nederig van hart zijn”. Nederig als bereidheid om te ontvangen al het goede en mooie dat het leven te bieden heeft. En ook het minder goede en mooie. Nederig betekent de eenvoud die dankbaar maakt voor het leven dat we krijgen. Ontvankelijkheid is een grondhouding die het hele leven doorademt. Het is de houding van de “open handen”, zoals we bij het onze vader onze handen openhouden. Onze vader: Een smeekbede om vol te houden tegen alle cynisme of wanhoop in.
We hebben er behoefte aan dit perspectief levend te houden. Ons houvast om niet op te geven wat ons tot op heden kan inspireren. Laten we daarvan zingen, een lied tegen de oorlog:

Wij die met eigen ogen de aarde zien verscheurd,
maar blind en onmeedogend ontkennen wat gebeurt:
dat oorlog is geboden en vrede niet mag zijn,
dat mensen mensen dat wij die mensen zijn.

Wij die nog mogen leven van hoop en vrees vervuld,
aan machten prijsgegeven, aan meer dan eigen schuld,
wij die, God weet hoe verder, tot hiertoe zijn gespaard,
dat wij toch nooit erkennen het recht van vuur en zwaard.

Dat wij toch niet vergeten waartoe wij zijn gemaakt,
dat diep in ons geweten opnieuw het licht ontwaakt,
dat in ons wordt herschapen de geest die overleeft,
dat onze lieve aarde nog kans op redding heeft.
(Huub Oosterhuis)

 

  Tafeldienst

Laten we aan tafel gaan: brood breken en delen, wijn te drinken geven.
Dit simpele teken is een kleine daad van verzet in een wereld waar breken en delen steeds meer onder druk komt. Een klein gebaar dat, wanneer we het keer op keer herhalen, onomkeerbaar het onze wordt, bron van waaruit te kunnen leven.
Zoals Jezus zei: “dit brood en deze wijn, dit ben ik helemaal, hierin zit mijn hele leven”. Laat het een teken zijn dat iets laat oplichten van het mysterie van leven voorbij alle vormen van dood.
Hier aan tafel herinneren we ons de mensen die dit jaren met ons samen gedaan hebben, onze lieve doden.
Hier aan tafel willen we solidair zijn met allen die waar ook ter wereld ditzelfde visioen willen vieren.

 

Gij die de stomgeslagen mond verstaat
van alle stervelingen die wij zijn,
wij roepen U de naam toe van een mens,
Jezus, de zoon der mensen Uw geliefde.

Nooit sprak een mens als hij,
in hem verstonden wij uw bestaan
de zin van ons bestaan.
Hij is Uw woord geweest,
hij heeft volbracht alle gerechtigheid,
een mens voor allen.

Om zijnentwil zie ons, dit uur bijeen.
Zie alle stervelingen van de wereld,
waar onze doden zijn, verkoold, verwaaid,
vragen wij U hebt Gij hen nog gezien?

Waarom genadeloos vernietigd worden,
de armsten van de wereld, uw geliefden;
waarom wij die met weinigen bezitten
wat allen toebehoort, uw woord niet doen,

geen wereld maken die in vrede is,
een nieuwe orde van gerechtigheid.
Gij die ons hebt gezegd wat leven is:

Doen wat goed is: recht doen en verzet plegen tegen wat dat recht bedreigt;
Doen wat goed is: het goede en het schone in ere houden, in alles waarheid zoeken
Doen wat goed is: wegen van vrede en bevrijding gaan.

Zo een nieuwe wereld van gerechtigheid en vrede
had Uw Zoon voor ogen toen hij
op de laatste avond voor zijn dood met vrienden aan tafel zat.
Hij nam brood, zegende het, brak het en deelde het rond.
Neem en eet hiervan want dit is mijn lichaam gegeven voor allen.
Zo blijf ik jullie nabij.
Na de maaltijd nam hij ook de beker, zegende die en gaf hem rond.
Neem en drink hier allen van, dit is mijn bloed, gegeven voor allen.
Blijf dit doen om mij te gedenken.

Gij die dit woord ons ingegeven hebt,
een bron van kracht en moed en zeker weten,
Gij die het licht in ons geschapen hebt:
dat niet de duisternis ons overmeestert.

Dat niet het laatste woord is aan de dood,
Gij die tot hier ons vasthoudt in het leven,
Gij die ons afgestemd hebt op uw stem,
Gij die ons hebt geschapen naar U toe,

Gij die ons zocht, nog voor wij om U riepen,
Gij die gezegd hebt dat Gij ons zult vinden,
wij roepen U de naam toe van uw mens,
Israël, deze aarde uw geliefde.
(Huub Oosterhuis)

 

Vredewens

Alle levende wezens in de hemel en op aarde wensen we vrede toe, verbondenheid in liefde met elkaar. Moge de God die we “vader” noemen ons bemoedigen om getuigen te zijn van een vrede waarin we blijven geloven, ondanks alles.

 

Slotlied

Wij moeten gaan; aan ’t lied van bevrijding
voegden we weer een eigen refrein,
zagen rondom de glans van herkenning
hoe we elkaar tot Verbondgenoot zijn.
Vonden het Woord, eerder gehoord,
als nieuwe bron op eigen terrein.

Laten we gaan. Geloof in de zegen
die onze God steeds toegezegd heeft,
in niemandsland soms worst’lend verkregen
maar die ons hoop, moed en waakzaamheid geeft.
Neem van hier mee, het vaste idee
Licht blijft de kern, vaak tastend beleefd.

Neem bij het gaan de mantel van vrede
die we behoedzaam om mogen slaan
waarin de naam vol kleur is geweven,
vage beschutting in mensenbestaan.
In de woestijn, vruchten en wijn:
Vrede en zegen! Laten we gaan.
(Gonny Luijpers)