SLOTVIERING feestjaar 1982-2022: waar ligt onze toekomst…?

Dominicus Gent

Slotviering feestjaar 1982-2022

Waar ligt onze toekomst…?

 

Wees welkom in deze viering op zondag, u hier en allen die via het internet thuis of waar ook met ons meevieren. Het is de slotviering van ons jubileum-feestjaar, ook al zijn we eigenlijk nog tot de dag voor Beloken Pasen volgend jaar 40 jaar jong. Bij de openingsviering gingen de twee langst dienende voorgangers uit onze voorgangersgroep voor (dat is heel veel voor ;-), voor de slotviering is het aan ons, aan de jeugd (;-)).
We willen nadenken over uitdagingen en toekomst.
Maar eerst willen we dit samenzijn stellen onder de aanwezigheid van de Ene.

We steken de Paaskaars aan en we bidden
Bidden wij om aanwezigheid van de Ene in dit uur en in alle uren,
Bidden wij dat het licht ons op onze zoektocht mag leiden
Bidden wij om inzicht dat ons met nieuwe ogen doet kijken en uitzicht brengt,
Bidden wij om de onbevangenheid van een kind
Bidden we om zachtheid en een open geest
Bidden we dat dit licht het vuur van de hoop in ons brandend mag houden

Openingslied: Dat ik aarde zou bewonen

Dat ik aarde zou bewonen,
niet op vleugels als een arend,
niet in schemer als een nachtuil,
niet kortstondig als een bloem,

niet op vinnen onder water,
niet gejaagd en niet de jager,
niet op hoeven, niet op klauwen,
maar op voeten, twee

om de verte te belopen,
om de horizon te halen,
en met handen die wat kunnen,
kappen, ruimen, zaaien, oogsten,

met een neus vol levensadem,
met een buik vol van begeren,
met een hoofd niet in de wolken,
wel geheven naar de zon

om te overzien die aarde,
haar te hoeden als een kudde,
haar te dienen als een akker,
en te noemen bij haar naam.

Dat ik ben niet meer of minder,
dan een mens, een kind van mensen,
een van velen, een met allen,
groot en nietig, weerloos vrij,

om te zijn elkaar tot zegen,
om te gaan een weg van dagen,
liefdes weg, die ooit zal leiden,
naar een menselijk bestaan.

T: H. Oosterhuis – M: T. Löwenthal

 

Waar ligt onze toekomst?

De viering waarmee we het feestjaar afsluiten wil geen terugblik zijn, die hebben we met verve gehad bij de start, bij de maaltijd, op reis. Maar nu een blik vooruit.

Waar ligt onze toekomst, en onze opdracht als mens, als Christenen, als deel van de schepping, de natuurlijke wereld? Waar ligt de kracht van een gemeenschap als deze en de bijdrage die we kunnen leveren? Valt er nog iets nieuws te bedenken na 2000 jaar Christendom? Verandert de opdracht in het vooruitzicht van de eindigheid van de aarde en kunnen we nog iets aan de leefbaarheid doen? Waar willen we de volgende 40 jaar naar op weg? De eerste 40 jaar leidden nog niet echt tot in het land van melk en honing voor elke mens. Velen hebben wel materiële overvloed gekend op die weg, maar er werd genoeg ravage aangericht om de volgende 40 jaar stevig te moeten investeren in de renovatie – of zelfs restoratie.

Er ligt een immense opdracht te wachten in het licht van de klimaatcrisis, met daaraan gekoppelde een economische crisis, energiecrisis, vluchtelingencrisis, oorlogen… Om de moed erin te houden, om een weg te zien, om hoopvol te blijven, om het goede leven te bewaken, en de sociale rechtvaardigheid – wat ook de omstandigheden zijn – is de Christelijke traditie een houvast, een wegwijzer, een baken van licht. De principes van de zaligspreking, de opdracht om het geknakte riet niet te breken, houden ons een fundamenteel kompas voor en zijn een bron van geluk onderweg.

Tegelijk, als men aan de evangelieteksten een starre dogmatische interpretatie geeft lijken ze irrelevant en kunnen ze zelfs destructief worden – zoals met `het onderwerpen van aarde, of een doorgedreven ‘gaat en vermenigvuldigt u’ of zelfs ‘gehoorzaamheid aan de man’. Men verwijt het Christendom dat ze de mens centraal heeft gezet ten koste van de natuurlijke wereld. Op dat vlak kan ze heel wat leren van andere religies die een lange traditie hebben van doordrongen zijn van het heilige in de natuur. Maar met een telkens nieuw doorleefde aangepaste interpretatie blijven die Bijbelse teksten een bron van rijkdom en innerlijke kracht ook in de huidige situatie, waar ze stuwkracht voor transitie kunnen worden.

Die focus op de mens gold aanvankelijk evenzeer voor de gulden regel ‘doe aan de ander wat je aan jouzelf gedaan wenst te hebben’ die Karen Armstrong in de doorsnede van religies en het humanistisch denken herkende. Om de huidige crisis aan te pakken is echter een breder referentiekader nodig, zegt Karen Armstrong. Iets waarvan men in China al doordrongen was nog voor de geboorte van Jezus. We moeten nederiger in het leven staan – als menselijke soort, en ons naast – niet boven – de ons omringende natuurlijke wereld plaatsen.

We worden uitgenodigd om op zo’n manier, met die nieuwe ogen te kijken: naar de Bijbelse teksten, teksten van andere religies ook, en naar de wereld. Voor een Christelijke gemeenschap als Dominicus, die de bijbel op de wereld legt, en daar woord en daad aan verbindt, is er veel werk aan de winkel. Al die teksten vanuit de nieuwe ruimere context gaan lezen en er iets mee doen: dat geeft heel wat boeiende vooruitzichten een van nog zeker 40 jaar werk.

Het openingslied dat we zongen heeft al een stap in die richting gezet. Het steunt op het boek Genesis, maar het spreekt niet van het onderwerpen van de aarde. Wel over het overzien, haar hoeden als een kudde, dienen als een akker en te noemen bij haar naam. We geven onze natuurlijke wereld op die manier de plek die haar toekomt, met de nodige aandacht en status, en onszelf een verhouding daartoe. ‘Ik ben niet meer niet minder… groot en nietig, weerloos vrij… om te zijn elkaar tot zegen…liefdesweg die ooit zal leiden tot een menselijk bestaan’.

We worden geroepen tot een hernieuwd begrip en inzicht in de teksten en een bijhorende oriëntatie in het engagement. De taak die ons wacht is te groot om alleen te kunnen klaren. Het is alle hens aan dek: jong en oud, gelovig en niet-gelovig. Elkeen wordt verwacht zijn bijdrage te leveren en we gaan best in dialoog om het samen waar te maken. De dialoog is extra belangrijk met wie andere inzichten heeft: tussen arm en rijk, ambachtslieden en kunstenaars, de humane en de exacte wetenschappen, politiek en Universiteit, tussen de diverse werelddelen en culturen, tussen religies (van toen en nu) en levensbeschouwingen. Uit die dialoog kan dan een gemeenschappelijk of toch aanvullend verenigd engagement komen, nodig om het tij te keren.

Karen Armstrong wees op 3 punten die ons op de weg vooruit kunnen helpen.
De natuur beter leren kennen – en daardoor (her)waarderen. Al was het maar door 10 minuten per dag in stilte de veelheid aan leven rond een boom te aanschouwen.
Alle levende wezens heiligen, er zorg voor dragen, met ze meeleven: ze betrekken in het charter van mededogen
En spiritualiteit beleven in concentrische cirkels. Vanuit jezelf vertrekken ligt voor de hand, maar vervolgens moeten we ons ego overstijgen en meeleven met steeds verder liggende mensen; dat gaat van familie, vrienden en collega’s over landgenoten een vreemdelingen en uiteindelijk ook andere dan de menselijke wezens.

Laten we dat niet vergeten in de volgende 40 jaar. Laten we met eerbied en overtuiging die nieuwe wegen opzoeken richting het beloofde land voor meer dan de mens. Alsof de richting ons werd ingeschapen zullen we eens te meer, de onbegonnen lange weg gaan. Boeiend, met veel uitdagingen en avonturen opdat een nieuwe wereld komen zal. Met de hoop en belofte: ‘Het worde licht, Ik zal er zijn’.

Laat ons daartoe samen zingen:  

Lied aan het licht

Licht dat ons aanstoot in de morgen,
voortijdig licht waarin wij staan
koud, één voor één, en ongeborgen,
licht overdek mij, vuur mij aan.
Dat ik niet uitval, dat wij allen
zo zwaar en droevig als wij zijn
niet uit elkaars genade vallen
en doelloos en onvindbaar zijn.

Licht, van mijn stad de stedehouder,
aanhoudend licht dat overwint.
Vaderlijk licht, steevaste schouder,
draag mij, ik ben jouw kijkend kind.
Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen
of ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen
en elk zijn naam in vrede draagt.

Alles zal zwichten en verwaaien
wat op het licht niet is geijkt.
Taal zal alleen verwoesting zaaien
en van ons doen geen daad beklijft.
Veelstemmig licht, om aan te horen
zolang ons hart nog slagen geeft.
Liefste der mensen, eerstgeboren,
licht, laatste woord van Hem die leeft.

T: H. Oosterhuis – M: A. Oomen

 

Bijbeltekst (Mt. 25, 34-40)
Dan zal Ik tegen de mensen aan mijn rechterhand zeggen: “Kom, gezegende kinderen van mijn Vader. U mag het Koninkrijk binnengaan, dat van het begin van de wereld af voor u bestemd is. Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en u hebt Mij in uw huis uitgenodigd. Ik had niets om aan te trekken en u hebt Mij kleren gegeven. Ik was ziek en u hebt Mij opgezocht. Ik zat in de gevangenis en u bent bij Mij geweest.” Deze goede mensen zullen vragen: “Here, wanneer hebben wij gezien dat U honger had en hebben wij U te eten gegeven? Of dat U dorst had en hebben wij U te drinken gegeven? Of dat U een vreemdeling was en hebben wij U geholpen? Of dat U niets had om aan te trekken en hebben wij U kleren gegeven? En wanneer was U ziek of zat U in de gevangenis en hebben wij U bezocht?” Ik zal tegen hen zeggen: “Toen u dit voor één van mijn minste broeders hebt gedaan, deed u het voor Mij.”

 

Volharden

We schrijven nu 40 jaar en een aantal maanden. Die 40 is een Bijbels getal. In Bijbelse taal staat het voor voorbereiding en verwachting, voor loutering en zuivering, het vinden van klaarte en helderheid in de geest.
Ik vroeg me dus af of er enige parallellen te trekken zijn tussen of verschillen te vinden met onze veertig jaar en een Bijbelpassage waar dat getal gebruikt wordt. De eerste, meest bekende: Mozes trok met zijn volk 40 jaar door de woestijn om uiteindelijk in het beloofde land te aan te komen. In die periode had hij trouwens 40 dagen op de berg Sinaï gekampeerd om er de tien geboden te ontvangen. Zijn wij met onze gemeenschap nu ook in het beloofde land aangekomen na een 40 jaar durende lange tocht door de woestijn? De wereld lijkt op die veertig jaar tijd alvast niet meer dan toen op wat we ons voorstellen van wat het beloofde land zou moeten zijn. Er is nog steeds honger, onrecht, ongelijkheid, geweld en dood en ook de realiteit van een klimaat-apocalyps die o.a. de mensensoort in haar voortbestaan bedreigt, doemt sterker dan ooit. Het beloofde land: we zijn er dus nog niet, vrees ik.

Misschien voelen we ons dan eerder zoals Noach die na de zondvloed die 40 dagen en nachten geduurd had, nog eens 40 dagen wachtte eer hij de ark durfde te openen.
Het ziet er in alle geval wel naar uit dat de meesten onder ons nog eens minstens veertig jaar op weg zullen moeten, op zoek naar die nieuwe wereld waar al honderden mensen-generaties van gedroomd wordt. Zondvloed en klimaatverandering, er is bovendien iets voor te zeggen, maar daar houdt de vergelijking ook wat op, want Noach overleefde die klimaatramp, daarna was alles peis en vree en voor ons allen valt dat alsnog af te wachten.

Misschien voelen we ons dan eerder zoals Jezus die na 40 dagen vasten in de woestijn zijn openbaar leven begon met de Bergrede. Het zou wel een beetje merkwaardig zijn om onze voorbije 40 jaar te beschrijven als een periode van vasten en beproevingen, maar misschien was het er wel één van het vinden van klaarte en helderheid in de geesten. Net zoals Jezus zich nadien ook nog regelmatig terugtrok om te bidden, is voor ons de zoektocht niet af. Maar ook deze vergelijking hapert toch wel wat, want ons openbaar leven is toch wel al een tijdje bezig en op de Blandijnberg, de enige berg in Gent die naam enigszins waard, wordt een ander soort redes gegeven.

Er zijn raakpunten, maar ook verschillen: we schreven een geheel eigen verhaal in onze eigen stijl, in onze tijd en onze context. Deze gemeenschap heeft de voorbije 40 jaar getuigd, als collectief, maar ook in de acties en kleinere of grotere engagementen van heel veel individuele leden. Er zijn stenen verlegd, bergen geslecht en paden rechtgetrokken. Er is zelfs een kerk ge-/verbouwd, met bar . Steeds werd de Bijbel op de zorgen en bezigheden van alle dag gelegd, steeds werden de grote en kleine problemen in deze wereld op de verhalen van de Bijbel gelegd. Door studie en gebed probeerden we de tekenen van de tijd te verstaan en te zoeken hoe goed te handelen. En steeds opnieuw zijn we samengekomen om elkaar te bemoedigen, ons geloof te vieren en bij elkaar de blik en de geesten scherp te houden.

In dit veertigste jaar hebben we daar bij uitstek meermaals van getuigd en hebben we onszelf en bij momenten soms zelfs anderen verbaasd over zoveel daadkracht en engagement.
Ons verhaal gaat verder, het werk is nog niet af, een zondvloed dreigt, het beloofde land lang nog niet in zicht. Dus laat ons ook nu met de Bijbel op weg gaan, want dat is onze taal, daar ligt onze bedding. Maar die zullen we blijven toetsen aan andere teksten, aan andere inzichten en steeds herinterpreteren en bij de tijd brengen. Onverdroten. De bedreiging van onze leefomgeving zal daar uiteraard een rol in spelen, het is niet zomaar toevallig dat we dit thema gekozen hebben voor ons slotsymposium. Als we, zoals in het Bijbelverhaal, de hongerige te eten willen geven, moet er nog een bewerkbare aarde zijn en vruchtbare grond om voedsel voort te brengen en wat bio-diverse bijen om de bloemen te bevruchten, als we de dorstige te drinken geven, moet er nog genoeg zuiver water overblijven, als we zieken bezoeken, moeten we er tegelijkertijd ook proberen ervoor te zorgen dat de lucht en het water niet ziekmakend worden, als we de vluchteling herbergen, moeten we ervoor zorgen dat mensen niet op de vlucht moeten omdat hun land onleefbaar is geworden en oorlogen om water worden uitgevochten.

Laat ons dus op weg gaan, misschien wordt het een zoektocht naar andere vormen om samen te vieren en bijeen te komen, met een blijvend experimenteren met nieuwe taal om het onzegbare toch gezegd te krijgen. Laat ons verder naar buiten gaan, getuigen in woord en daad daar waar het moet, onze stem laten klinken daar waar dat nodig is. En laten we ons verder engageren op vele plaatsen en gelegenheden waar handen zo broodnodig zijn om het beloofde land werkelijkheid te laten worden. Laat ons dat verhaal verderzetten. Die tocht is ons pad.

En ik wens ons daarbij vooral de gave van de volharding. Volharding is die ingesteldheid van het hart die weigert zich neer te leggen bij tegenkanting of wanhoop. Het gaat om een heldere en zelfs koppige ingesteldheid omdat we weet hebben van een andere, betere mogelijkheid. Men zegt wel eens “volharden in de boosheid”, niet alleen omdat die emotie, de verontwaardiging ons blijft voortstuwen en in beweging kan zetten, maar ook omdat die soms tegen beter weten in gaat. Maar beter nog zou het zijn om te zeggen: “Volharden in hoop”, want dat doet ons de essentie nastreven, daarmee reiken we naar wat eeuwig is. Hoop is immers een dimensie van onze ziel die los staat van onze kijk op de wereld of op bepaalde situaties, hoop is verankerd ver voorbij de grenzen van het hier en nu.

Laat ons dus volharden in wat goed is, ook al heeft dat misschien geen kans op slagen, laat ons volharden in de kleine daden van goedheid elke dag, want zij kunnen op hun beurt hoop bij anderen wekken. Laat ons volharden, want wat we zo doen heeft zin, geeft zin, onafhankelijk van de uitkomst ervan. Het verbetert de wereld onherroepelijk.

 

Gij wacht op ons
totdat wij opengaan voor U.
Wij wachten op uw antwoord
dat ons ontvankelijk maakt.
Stem ons af op uw stem
stem ons af op uw stem
op uw stilte.

T: H. Oosterhuis – M: B. Huijbers

 

Inleiding tafelgebed

Laten wij dan aan tafel gaan, een gebaar van breken en delen stellen dat de wereld rond herkend wordt. Het is tegelijk groot en universeel, maar even goed alledaags en binnenskamers. Wij breken brood en delen wijn, vruchten van de aarde en van het werk van mensenhanden. Zij worden geheiligd in dit gebaar waarmee we het leven van Jezus herdenken en van vele anderen die zichzelf gaven in de inzet voor sociale rechtvaardigheid. In dit uur gedenken wij ook onze lieve doden, en al wie zich ergens ter wereld zo inzet voor het grote doel van een leefbare wereld voor de mens en zijn natuurlijke compagnons. Wij roepen u de naam toe van uw mens, … deze aarde, uw geliefde: met het tafelgebed  

Gij die de stomgeslagen mond verstaat
van alle stervelingen die wij zijn,
wij roepen U de naam toe van een mens,
Jezus, de zoon der mensen Uw geliefde.

Nooit sprak een mens als hij,
in hem verstonden wij uw bestaan de zin van ons bestaan.
Hij is Uw woord geweest,
hij heeft volbracht alle gerechtigheid, een mens voor allen.

Om zijnentwil zie ons dit uur bijeen.
Zie alle stervelingen van de wereld,
waar onze doden zijn, verkoold, verwaaid,
vragen wij U hebt Gij hen nog gezien?

Waarom genadeloos vernietigd worden,
de armsten van de wereld, uw geliefden;
waarom wij die met weinigen bezitten wat allen toebehoort,
uw woord niet doen,

geen wereld maken die in vrede is,
een nieuwe orde van gerechtigheid.
Gij die ons hebt gezegd wat leven is:
te doen wat goed is, recht, elkaar bevrijden.

Gezegend zijt Gij
levende, scheppende God
Om Jezus van Nazareth.
Die op de vooravond van zijn sterven
met zijn vrienden aan tafel zat.
Hij nam brood, brak het en deelde het uit
met de woorden:
Neemt en eet,
dit is voor u
mijn lichaam, mijn hele leven.

Ook de beker heeft hij aangereikt
Het teken van een nieuwe relatie
met alle mensen
die mekaar behoeden en doen leven,
en met alle levende wezens.
Drink hiervan tot mijn gedachtenis.
zei hij.

Gij die dit woord ons ingegeven hebt,
een bron van kracht en moed en zeker weten,
Gij die het licht in ons geschapen hebt:
dat niet de duisternis ons overmeestert.

Dat niet het laatste woord is aan de dood,
Gij die tot hier ons vasthoudt in het leven,
Gij die ons afgestemd hebt op uw stem,
Gij die ons hebt geschapen naar U toe,

Gij die ons zocht, nog voor wij om U riepen,
Gij die gezegd hebt dat Gij ons zult vinden,
wij roepen U de naam toe van uw mens,
Israël, deze aarde uw geliefde.

T: H. Oosterhuis – M: A. Oomen

 

Onze Vader

Vredeswens 

Jezus heeft zijn vrienden vrede gewenst. Als hij zijn leerlingen uitzond om te prediken gaf hij hun mee dat ook zij dit moesten wensen aan elk huis waar zij binnengingen. Zo wensen wij dit ook voor dit huis, onze wereld, onze leefomgeving, voor alle levende wezens. Want een wereld in vrede lijkt nog steeds geen verworven recht, soms slechts een verre droom. Altijd weer wordt die vrede bedreigd. We kunnen ze alleen in leven houden door ze bewust te beleven en door ze aan elkaar toe te wensen.

Communie

Slotlied: De steppe zal bloeien

De steppe zal bloeien, de steppe zal lachen en juichen.
De rotsen die staan vanaf de dagen der schepping,
staan vol water, maar dicht, de rotsen gaan open.
Het water zal stromen, het water zal tintelen, stralen,
dorstigen komen en drinken.
De steppe zal drinken, De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen en juichen.

De ballingen keren, zij keren met blinkende schoven.
Die gingen in rouw tot aan de einden der aarde,
één voor één en voorgoed, die keren in stoeten.
Als beken vol water, als beken vol toesnellend water,
schietend omlaag van de bergen,
als lachen en juichen, die zaaiden in tranen,
die keren met lachen en juichen.

De dode zal leven, de dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan en onder stenen bedolven:
dode, dode, sta op, het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken, een stem zal ons roepen:
Ik open hemel en aarde en afgrond,
en wij zullen horen, en wij zullen opstaan
en lachen en juichen en leven.

T: H. Oosterhuis – M: A. Oomen