Dominicus Gent
PAASVIERING
Zondag 20 april 2025
Halleluja! Halleluja! Halleluja! Zalig Paasfeest!
Welkom! ook aan jullie die van thuis of elders meevieren.
Vroeg in de morgen, in alle donkerte…
onverwacht, onvermoed
breekt licht door, breekt vrijheid door,
breekt liefde door. Uw liefde,
Licht dat van elders komt
en bij ons wil zijn.
Onmiskenbaar horen we
de weerklank in ons hart
van Jouw Stem ‘Ik zal er zijn’.
Welkom Licht,
met jou gaan we op weg,
naar goed wijd land,
de route van het licht,
het duizendschone schitterende licht
naar liefde over alle grenzen heen.
Zingend brengen we licht op de tafel, licht in ons hart, licht rondom ons, licht in de wereld…
Vroeg in de morgen, donker was het nog,
zijn wij gegaan, een keer,
nog in ons hart de dichtheid van de nacht.
Jij bent niet die wij dachten. Uit het vuur
riep ons bij naam een stem.
Wij zagen niets. Jij riep: ‘Ik zal er zijn’.
Op licht en schaduw, bomen aan de bron,
op stilte leek die naam.
Een gloed van liefde schroeide ons gezicht.
Om wat wij hoorden (maar wat hoorden wij?)
om wat op vrijheid leek,
omdat het moest en blijven niet meer kon.
Zijn wij gegaan, onstuimig en verward,
om nergens om, om jou –
om liefde over alle grenzen heen.
Een troep die sloft en zwerft, de richting kwijt.
De nagalm van een stem.
De weerklank van wat woorden in ons hart.
Een slingerende stoet naar goed wijd land.
Een eeuwenlang smal pad.
Een ademtocht, de route van het licht.
Het duizendschone schitterende licht,
een file in de nacht,
een spoor van mensen die de nacht verslaan.
Die strompelen tot waar? Tot waar jij bent,
in rusten aan de bron,
in gloed van liefde, vuur dat niet verflauwt.
Vroeg in de morgen, donker was het nog,
zijn wij gegaan, een keer,
met niets dan in ons hart: ‘Ik zal er zijn’.
(T. Huub Oosterhuis)
Lichtprocessie
Jij sprak: Licht! En er was licht.
Zo begint het boek van het begin,
het verhaal van Uw weg met ons.
Jouw naam
‘Ik zal er zijn’
spiegelt onze nieuwe naam
‘Niet-langer-Verlaten’.
Wees hier aanwezig,
maak ons klaarwakker,
kom ons bevrijden!
We zingen die dialoog tussen U en ons met:
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten.
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten.
Wij wachten op licht, maar het blijft donker,
op het licht van de zon, maar wij dolen in duisternis.
Als blinden tasten wij langs de wand,
onzeker als mensen zonder ogen.
Wij struikelen op klaarlichte dag,
in de bloei van ons leven zijn wij als doden.
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten.
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten.
Sta op en word helder, uw licht is gekomen.
De glorie van God zal over u lichten.
Hij is een mantel van licht om u heen.
Hij zal u noemen: ‘niet langer verlaten’.
En ’s nachts zal de maan uw licht niet meer zijn,
want God de Heer zal een licht voor u zijn.
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten
Wees hier aanwezig,
wees hier aanwezig,
licht in ons midden,
licht in ons midden
kom ons bevrijden,
kom ons bevrijden,
dat wij herleven,
dat wij herleven
God in ons midden,
God in ons midden,
Jezus Messias,
Jezus Messias
Licht van de wereld,
Licht van de wereld
kom hier aanwezig,
kom hier aanwezig
Zijt Gij de levende,
Zijt Gij de levende
bron van ons leven,
bron van ons leven.
Kom ons bevrijden,
Kom ons bevrijden
Zoon van God.
Zoon van God.
Zijt Gij de levende,
Zijt Gij de levende
licht van de wereld.
Licht van de wereld.
Wees hier aanwezig,
wees hier aanwezig
Bron van ons leven.
Bron van ons leven.
Kom ons bevrijden,
kom ons bevrijden
Zoon van God.
Zoon van God
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten
Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dood
en Christus zal over u lichten
(T. Huub Oosterhuis)
Luister naar het eu angelion, het Goede Nieuws, het evangelie:
Op de eerste dag van de week ging Maria van Magdala, in alle vroegte, terwijl het nog donker was, naar het graf en zag dat de steen voor de opening van het graf was weggehaald. IJlings liep ze naar Simon Petrus en de andere leerling, die van wie Jezus hield. ‘Ze hebben de Heer uit het graf gehaald’, zei ze. ‘Wisten we maar waar ze Hem hebben neergelegd!’ Daarop gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf. IJlings liepen de twee er samen naartoe, maar de andere leerling liep harder dan Petrus en kwam het eerst bij het graf aan. Hij wierp er een blik in en zag dat de linnen doeken er nog lagen. Maar hij ging niet naar binnen. Toen kwam ook Simon Petrus, na hem, bij het graf aan en ging meteen naar binnen. Hij zag hoe de doeken er nog lagen, maar ook hoe de doek die zijn hoofd had bedekt, niet bij de andere doeken lag: hij was opgerold en lag helemaal apart. Toen pas ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf was aangekomen, naar binnen. Hij zag en kwam tot geloof. Ze wisten toen nog niet wat de Schrift zei: dat Hij uit de doden móést opstaan. Daarop gingen de leerlingen terug naar huis. Maria echter stond buiten bij het graf te huilen. En terwijl ze zo huilde, wierp ze een blik in het graf en zag daar twee in het wit geklede engelen zitten, de een aan het hoofdeinde, de ander aan het voeteneinde van de plaats waar Jezus had gelegen. Ze spraken haar aan: ‘Waarom huilt u zo?’ Ze antwoordde: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd!’ Na deze klacht keerde ze zich om en zag Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. Jezus vroeg: ‘Waarom huilt u zo? Zoekt u iemand?’ In de mening dat het de tuinman was zei ze: ‘Heer, als u het bent die Hem hebt weggenomen, zeg me dan waar u Hem hebt neergelegd; dan kan ik Hem laten halen.’ Jezus zei: ‘Maria!’ Ze keerde zich nu naar Hem toe en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat is het Hebreeuws voor: meester.) ‘Houd Me niet vast’, zei Jezus. ‘Ik moet nog opstijgen naar de Vader. Ga liever naar mijn broeders en zeg hun: “Ik stijg op naar mijn Vader die ook jullie Vader is, naar mijn God die ook jullie God is.” ’ Daarop ging Maria van Magdala aan de leerlingen verkondigen: ‘Ik heb de Heer gezien’, en ze vertelde hun wat Hij tegen haar gezegd had.
Tussen waken, tussen dromen,
in het vroege morgenlicht,
wordt de steen van ’t graf genomen,
horen vrouwen het bericht,
dat door dood en duisternis
Jezus leeft en bij ons is.
Zij die zich als eerste buigen
over leven in haar schoot,
zijn op Pasen kroongetuigen
van nieuw leven uit de dood.
Vrouwen hebben hem ontmoet,
weten zich bevrijd voorgoed.
Uit een sprakeloos verleden,
weggeschoven, ongehoord,
wordt een nieuwe tuin betreden,
open is de laatste poort,
sluiers worden weggedaan,
het is tijd om op te staan.
Lente kleurt de kale bomen,
door het leven aangeraakt
bloeien bloemen aan de zomen,
zo wordt alles nieuw gemaakt.
Juichend stemt het leven in
met de toon van het begin.
(T. Hanna Lam)
PAASOVERWEGING
Ik heb een probleem. Ik worstel namelijk nogal met hoe het concept “verrijzenis” in het Paasverhaal in de kerk begrepen wordt: Christus is verrezen, hij is uit de doden opgestaan, hij heeft de dood overwonnen, zo klinkt het. Deze zinnen en beelden hebben echter door de tijden heen een betekenis gekregen die heel ver staat van de toenmalige en zelfs huidige vertelcultuur in het Midden-Oosten. Men heeft er eigenlijk, met alle respect, wel een potje van gemaakt.
In het Bijbelverhaal vinden de vrouwen en de leerlingen een leeg graf. Het dode lichaam van Jezus lijkt wel op onverklaarbare wijze verdwenen. Neem dat beeld, voeg er een Grieks-filosofische saus aan toe over scheiding van lichaam en geest en je krijgt uiteindelijk een geloofsbelijdenis die het heeft over iets als de verrijzenis van het lichaam.
Het is een vertaling die in alle geval geen prijs zal krijgen voor inzicht in de beeldtaal van de oorspronkelijke vertellers. Het deed me al lang geleden de vraag stellen of geloof in zo’n soort verrijzenis iets is waar ik iets mee aankan, waar ik zou van kunnen leven? De vraag stellen, was ze ook meteen beantwoorden.
Later ben ik gelukkig op het spoor gekomen van een mogelijke andere interpretatie die ik met u wil delen. Het is er één die dichter ligt bij hoe in het Midden-Oosten naar verrijzenis gekeken wordt. Verrijzenis is daar omzeggens de gewoonste zaak van de wereld. Men verrijst er aan de lopende band – ik overdrijf misschien wel een beetje, maar toch.
De focus ligt er dan ook heel anders: men heeft het niet in de eerste plaats over iets dat zich op het einde van het leven zou kunnen afspelen, maar op het leven zelf, zoals het zich aandient. Daarin kan op ieder moment verrijzenis gebeuren. Het is een heel rijk en gelaagd begrip dat thema’s in zich meedraagt van opnieuw geboren worden, van overleven, van verzet, van transformatie.
Verrijzen houdt er in zich de diepe intuïtie, het vertrouwen en de hoop, soms tegen beter weten in, dat er zelfs in de donkerste momenten van grote gebrokenheid, een mogelijkheid bestaat om op te staan, om zichzelf te vernieuwen of te transformeren, om opnieuw geboren te worden. Dat mag je zien op persoonlijk niveau, maar ook als groep, als gemeenschap, als volk. Verrijzenis gebeurt er zo op politiek, sociaal en cultureel vlak. De ervaring dat dit kan is er tastbaar en reëel.
Het is wellicht ook daarom dat het beeld er zo veelvuldig gebruikt wordt in verhalen, in kunst en rituelen. Een treffend voorbeeld is dat van de woestijn, de steppe, die gaat bloeien wanneer bloemen steeds weer opschieten na een zeldzame regenbui. Dat bloemen kunnen bloeien in wat voorheen alleen dorheid was, dat is verrijzenis.
Het is vermoedelijk ook met die achtergrond dat Paulus in zijn eerste brief aan de Korintiërs het geloof in de verrijzenis als essentieel stelt. Zonder dat geloof, zegt hij, is alles zinloos: als Christus niet is opgestaan, dan is onze prediking zonder inhoud en uw geloof leeg… of nog: “Elke dag sterf ik opnieuw, broeders en zusters […]. In Efeze heb ik op leven en dood gevochten; wat zou ik daarmee hebben bereikt als ik geen hoop had? Wanneer de doden toch niet worden opgewekt, kunnen we maar beter zeggen: ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we.’
Wanneer hij zegt “Iedere dag sterf ik”, bedoelt hij hier waarschijnlijk niet de letterlijke dood, maar de vele momenten van ontreddering, van vervolging, van tegenslag en duisternis. Maar ook dat hij rond zich zag, daadwerkelijk kon ervaren dat duister en dood overwonnen worden, dat verrijzenis effectief gebeurt in het kleine opstaan en in het grote.
Maar om echt te leven vanuit verrijzenis, is nog meer nodig. Het vraagt een andere basishouding. Er is een andere blik, een ander soort ervaren voor nodig.
Om het terug met Paulus te zeggen: “Want het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke, het sterfelijke lichaam met het onsterfelijke. En wanneer dit vergankelijke lichaam is bekleed met het onvergankelijke, dit sterfelijke met het onsterfelijke, zal wat geschreven staat in vervulling gaan: ‘De dood is verslonden en overwonnen’.
Verrijzenisgeloof gaat hier over een persoonlijke transformatie voor elk van ons. Het is vergelijkbaar met hoe in de soefi-traditie naar verrijzenis gekeken wordt: een innerlijke transformatie die je doormaakt, waarbij het “zelf”, het ego, alles wat je louter op jezelf richt, moet sterven om spiritueel herboren te kunnen worden. Alleen zo kan je het goddelijke toelaten en ervaren.
Als we het paasverhaal vanuit dat standpunt lezen, dan gaat het verhaal misschien wel minstens evenzeer over de verrijzenis of nog-niet-verrijzenis van de leerlingen als over de verrijzenis van Jezus. In die interpretatie moet Jezus’ verrijzenis er al geweest zijn tijdens zijn leven, net daarom heeft hij gedaan wat hij gedaan heeft en is hij tot het uiterste gegaan, met de consequentie dat hij er het leven zou kunnen bij inschieten. Hij heeft niet voor zichzelf gekozen, niet voor het eigen leven, maar voor een hoger doel: een rechtvaardige maatschappij, leven voor iedereen.
Bij de leerlingen aan het graf zien we zo ook de eerste sporen van dat verrijzen: de leerling die eerst een tijdje aarzelt en pas dan binnengaat, ziet eigenlijk niets meer dan de andere, maar tegelijkertijd ook alles en gaat geloven, hij krijgt inzicht en zo uitzicht.
Petrus, de andere leerling, is daar nog helemaal niet aan toe: hij blijft maar naar de zwachtels staren, sporen van de gestorven vriend, sporen van een afgesloten verleden, van het onherroepelijke.
Het is alsof hij zich nog moet losmaken van zijn eigen zwachtels, losmaken van de angst om naakt en met niets over te blijven. Hij zit nog in zichzelf opgesloten, de blik naar binnen en op zichzelf gericht.
Maria van Magdala lijkt nog een beetje tussen de twee te zweven: ze ziet het nieuwe leven, maar wil het oude ook nog blijven vasthouden. Jezus lijkt haar te zeggen: in het graf is niets te vinden. Daar is geen leven. Laat het verleden los. Ik ben te vinden waar mijn vrienden samenkomen en hun ervaringen delen met elkaar, waar ze opkomen tegen wat verrijzenis onmogelijk maakt.
Het moet immers te zien zijn, te ervaren zijn dat wat duister en doods is overwonnen wordt – dan weten we dat hij leeft, dat zijn leven hier en nu verder gebeurt. Zoals hij meegeeft aan zijn leerlingen: “het is nu aan jullie handen toevertrouwd”.
En aan onze handen dus, hier en nu. Als wij Pasen vieren, zeggen ook wij dat wij geloven in verrijzenis, dat opstanding mogelijk is, hier vandaag in deze wereld.
Bommen blijven vallen, onrecht blijft mensen aangedaan, pijn en duisternis blijven ons deel, maar zij zullen niet het laatste woord hebben, wanneer er steeds opnieuw mensen zijn die durven verrijzen en zonder angst het onrecht aan de kaak blijven stellen.
Verrijzen zullen ze niet doen door de woorden te volgen van moderne profeten die het hebben over zelfrealisatie en het werken aan het ik. Maar wel door de blik naar binnen te richten en dat ikgerichte te laten gaan en zich vervuld te laten worden. Zoals we het zingen: Vol te stromen met levensadem en opnieuw geboren te worden.
Om dan opnieuw de blik naar buiten te kunnen richten en met de nieuwgekregen opstanding te doen wat echte vreugde geeft: de hongerigen voeden, de gevangenen bezoeken, de zieken nabij zijn en opstaan, roepen voor zij die dat niet kunnen, Jezus achterna. Want ook aan hen, aan ieder mens, aan de hele schepping is verrijzenis aangezegd. Steeds opnieuw en onvervreemdbaar.
Ik wens elk van jullie zo’n deugdzame verrijzenis toe.
Zalig Paasfeest.
Tussen waken, tussen dromen,
in het vroege morgenlicht,
wordt de steen van ’t graf genomen,
horen vrouwen het bericht,
dat door dood en duisternis
Jezus leeft en bij ons is.
Zij die zich als eerste buigen
over leven in haar schoot,
zijn op Pasen kroongetuigen
van nieuw leven uit de dood.
Vrouwen hebben hem ontmoet,
weten zich bevrijd voorgoed.
Uit een sprakeloos verleden,
weggeschoven, ongehoord,
wordt een nieuwe tuin betreden,
open is de laatste poort,
sluiers worden weggedaan,
het is tijd om op te staan.
Lente kleurt de kale bomen,
door het leven aangeraakt
bloeien bloemen aan de zomen,
zo wordt alles nieuw gemaakt.
Juichend stemt het leven in
met de toon van het begin.
(T. Hanna Lam)
WATERRITUS
De zware steen is weggerold
de duisternis van dood en doods klaart op.
De bron van Levend water breekt door.
De dood is overwonnen!
Water wordt in de doopschaal gegoten
Driemaal dompelen we de paaskaars in het doopwater, een herinnering aan onze eigen doop, aan de belofte van nabijheid ‘Ik zal er zijn’, aan de oproep te doen wat Hij heeft voorgedaan: Licht zijn waar duisternis heerst. Mét Zijn Licht worden wij teruggebracht naar onze eertijdse belofte: een nieuw mens te zijn naar Zijn beeld en gelijkenis.
Driemaal wordt de kaars in doopwater gezet
Gezegend Gij die Licht zijt en wat dood en doods is overwint
Gezegend Gij die Belofte van nabijheid zijt, Levend water
Gezegend Gij die ons in het Doopsel oproept Uw licht te zijn dat schijnt tot op vandaag
Elke zondag herinnert de paaskaars aan leven, dood én verrijzenis van Jezus: Hij leeft en is tussen ons te ontmoeten!
Uw Licht is een oproep om Licht te zien, Licht te zijn.
—
We nodigen u uit om de doopbelofte te her-inneren – met het keervers van lied in
Ere wie ere toekomt,
lichtende levende God.
Wij ervaren
hoe wonderlijk steeds weer nieuw leven ontstaat,
hoe leven de moeite waard is,
hoe wij leven kunnen geven aan anderen, aan elkaar.
Wij geloven, dat wij hierin op U gelijken,
God, Schepper, Moeder, Vader van ons allen.
Ere wie ere toekomt!
Ere wie ere toekomt,
lichtende levende God.
Wij ervaren
dat leven delen,
brood breken en delen
blij en gelukkig maakt.
Wij ervaren
dat wij elkaar kunnen genezen en vergeven,
dat wij kunnen opstaan ten goede en moedig leven,
Wij geloven dat wij hierin op Jezus lijken,
die zichzelf gaf als gebroken brood
en leeft voor altijd.
Ere wie ere toekomt!
Ere wie ere toekomt,
lichtende levende God.
Wij ervaren
dat wij vreugde beleven aan eenvoudige dingen,
dat wij geloven, hopen en beminnen
en daarin dichter bij elkaar komen,
en wij geloven dat dit kan
omdat Gods Geest in ons werkzaam is tot op vandaag.
Ere wie ere toekomt!
Ere wie ere toekomt,
lichtende levende God.
(vrij naar geloofsbelijdenis op www.kerknet.be/pastorale-zone-effata/geloofsbelijdenis)
TAFELGEBED
Mogen we elkaar inspireren en helpen om steeds het juiste en het goede voor ogen te houden. Moge ons Paasgeloof ons daarbij een zachte bedding bieden, zodat we in volle vrijheid en zonder angst die wegen kiezen die goed samenleven en vrede bewerken en opstaan tegen zij die die wegen willen opbreken.
Deze tafel mag daarvan een symbool zijn. Een teken dat ons verbindt met Jezus van Nazareth.
Een teken dat ons verbindt met bekende en onbekende mensen die waar ook ter wereld opstanding bewerken.
We gedenken hier ook alle mensen die ons dierbaar waren en zijn, onze lieve doden die we met een dankbaar hart gedenken.
En we weten ons ook samen met alle mensen die geloven dat vrede de weg is naar gelukkig samenleven.
Gezegend, Eeuwige, Gij reddende God!
In de nacht klonk uw stem, sprak uw hart.
In de nacht brak het donker
op uw woord van licht.
Een dag ongeweten,
een uitzicht dat wenkt,
roept Gij wakker voor ons.
Opstaan, vertrouwen
en gaan zullen wij naar de morgen,
zingen om U het lied van alle reisgenoten:
Heilig, heilig, heilig, zullen wij U zingen.
Heilig, heilig, heilig, moeten wij U noemen
met heel de schepping mee uw grote daden roemen!
Zingen wij Hosanna, hemelhoog Hosana!
Zegen van Godswege, Hij die komt
gezegend met de Naam van Hem!
Zingen wij Hosanna, hemelhoog Hosanna!
In de nacht bleef Gij trouw
aan het volk van Uw liefde,
Aan de Zoon van uw hart.
Uit het geestloze dal
van de duizenden doden
hebt Gij hen tot leven gebracht.
Gezegend, Eeuwige, Gij, reddende God
om de Zoon van uw liefde.
Hij, onze geboorte, de nieuwe dag!
Reddende God,
dankbaar zijn we bijeen
om leven en sterven van Jezus uw zoon
in herinnering te brengen.
Hoe hij die avond brood zegende,
brak en deelde, zeggende:
“Dit is mijn lichaam, neem en eet ervan,
het wil Leven zijn voor allen.”
Hij nam ook de beker met wijn,
zegende die en gaf hem rond:
“Dit is mijn bloed, drink ervan,
het wil Leven zijn voor allen.
Blijf samenkomen,
blijf brood en wijn delen,
word mijn levend lichaam,
een nieuwe mens.”
Delen wij samen hier in zijn lichaam,
vinden wij leven eens en vooral in zijn bloed.
Voeg ons bijéén tot één levend lichaam,
een tempel van liefde,
oase van vrede, een woning voor U.
Dat onze dagen U zullen aanbidden en eren Uw Naam,
Doen wie Gij zijt: Eeuwige, reddende God!
(T. Sytze de Vries)
VREDESWENS
Meer nog dan Kerstmis is Pasen vredesfeest – we vieren vandaag de wereld zoals hij bedoeld is, zoals hij normaal zou moeten zijn: het graf voorbij, in het volle licht, geheeld, niet langer verlaten…
Die diepe paasvrede wensen we aan elkaar
Na de Communie
Twee jaar terug op Paasochtend is Huub Oosterhuis overleden die ons de vele liederen gaf die we vandaag zongen en ook straks nog zullen zingen.
Op zijn bidprentje een echte paastekst.
Sterven zal je ooit
maar vandaag
en godweet, morgen
kan je leven, doen, zien
iemand voor iemand zijn
misschien
en het verschil maken, toch,
tussen onverwisselbaar uniek
en om het even
tussen dood en leven.
SLOTLIED
De steppe zal bloeien.
de steppe zal lachen en juichen.
De rotsen die staan
vanaf de dagen der schepping
staan vol water, maar dicht
de rotsen gaan open.
Het water zal stromen,
het water zal tintelen, stralen,
dorstigen komen en drinken.
De steppe zal drinken,
de steppe zal bloeien,
De steppe zal lachen en juichen.
De ballingen keren
zij keren met blinkende schoven.
Die gingen in rouw
tot aan de einden der aarde,
één voor één, en voorgoed.
die keren in stoeten.
Als beken vol water,
als beken vol toesnellend water,
schietend omlaag van de bergen.
Met lachen en juichen –
die zaaiden in tranen,
die keren met lachen en juichen.
De dode zal leven.
de dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan
en onder stenen bedolven:
dode, dode, sta op,
het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
een stem zal ons roepen: Ik open
hemel en aarde en afgrond.
En wij zullen horen.
en wij zullen opstaan
en lachen en juichen en leven.
(T. Huub Oosterhuis)

