Bart Loeys krijgt Franqui-prijs

Gentse wetenschapper Bart Loeys (werkzaam aan UAntwerpen) krijgt de Franqui-prijs, zowat de Belgische Nobelprijs! Hij is bekroond voor zijn genetisch onderzoek naar verwijdingen van de hoofdslagader, die dodelijk kunnen zijn voor jonge volwassenen. Eerder werd al een syndroom naar hem genoemd en kreeg hij in 2009 al de Baillet-Latourprijs voor klinisch onderzoek, een befaamde aanmoedigingsprijs (zie https://fondsbailletlatour.com/nl/laureates/28).

Waarom we dat hier in het groot vermelden?

Omdat Bart vele jaren heeft meegewerkt in de voorgangersgroep van Dominicus Gent, toen nog het KUC (het katholiek universitair centrum van de paters dominicanen). Frederike, zijn echtgenote, werkte mee met de kindervieringen.

Hieronder een viering uit 2007, waarin Bart (samen met Bernard de Cock) stilstaat bij wetenschap en geloof.

Scheppingsgeloof

Viering in Dominicus Gent
(zondag 14 januari 2007)

 

1 Gebed

 

Die mij getrokken uit de schoot

Mij mens genoemd hebt en geëigend

Mijn ogen wende aan het licht

Mijn voeten zette dat ik stond

Mij hebt doen weten dat ik gaan kon

Dat ik zou komen waar Gij zijt

Die als ik neerzit aan de kant

Van weg en omweg, moe en dorstig,

Mij overschaduwt met uw Naam

Die ongezien mij trekt tot U

U zal ik ongezien vertrouwen –

Laat mij niet over aan mijzelf

Wees hier aanwezig in uw woord

Verschijn ons in taal en teken

Licht op in onze levens

Wees begin van lente

Laat bloesemen uw waarheid

Liefde en vrede  in ons midden

In klank van lied wees hier aanwezig

In vlam van hoop wees ons nabij

 

2

Wetenschapper en gelovige. Gaat dat samen?

 

Het scheppingsverhaal kristalliseert voor mij heel sterk de spanning tussen geloof en wetenschap.  Hoe kan ik als “wetenschappelijk mens” een betekenis geven aan scheppingsgeloof en meer algemeen hoe staat gelovig zijn tegenover dat wetenschappelijk zijn. Staan die twee tegenover elkaar of zijn ze verenigbaar en kunnen ze samengaan… Hoe gebruik ik scheppingsgeloof in mijn wetenschappelijk denken ? Bernard zal daarna zijn eigen meditatie over scheppingsgeloof brengen. Maar eerst dus mijn eigen belevingsverhaal rond schepping en God, geloof en wetenschap…

Toen ik 3 was betekende schepping voor mij vermoedelijk zoiets als “papa die met vormpjes en het natte zeezand allerlei vormen creëerde” of “mama die uit het niets met klei een fantastisch mooi poesje wist te boetseren”. Van God of geloof was – vrees ik – toen nog helemaal geen sprake…

Toen ik later volop leerde lezen was de waarheid rond schepping terug te vinden in Van Dales  woordenboek. Daar staat te lezen:  “schepping: iets wat voortgebracht, tot stand gebracht is, zie ook creatie” En dan bij creatie: “1. schepping, werk  2. modeontwerp, zie ook creatief, met name origineel en voortbrengend, zoals fantasierijk en fantasievol”.  God moet toen zoiets geweest zijn als de grote Horlogemaker, de Onveroorzaakte Oorzaak. Hij, ja toen was het zeker nog een hij, die regelrecht mens en dier geschapen had en dat nog in zes dagen… God had het allemaal gedaan, geen twijfel mogelijk.

Een puberteit later had schepping meer te maken met de dauwdruppels op het gras toen ik ’s morgens naar school fietste of  met roze-oranje zonsondergang toen ik ’s avonds terugkeerde. Het zonlicht dat tussen de bomen doorvalt tijdens de boswandeling. Het kristalheldere water van de zich naar beneden stortende beek. Het vergezicht bij het bereiken van de top van de berg. Of de regenboog van Marie-Ann… En God, ja die zweefde daar ergens tussenin…

Toen ik 16 en later18 werd en in de biologieles voor het eerst over Darwin, evolutie, cellen, DNA en de genetische code hoorde, moest dat wel echte schepping zijn. Naast God – of was het in de plaats van God – kwam er dus wetenschap of misschien beter gezegd de wetenschappelijke methode. Een erg opwindende, maar even ontnuchterende onderneming… In de zestiende en zeventiende eeuw hadden Copernicus en Galileo de mens al uit het centrum van het heelal verjaagd en in de negentiende eeuw stootte Darwin de mens zelfs van diens troon aan de top van de schepping. De aarde is maar een planeet. De mens is maar een diersoort. De mens leek God wel te hebben vermoord. En nu stond hij daar – de mens, dus. Ambitieus, maar helemaal alleen. Slim, maar eenzaam. En de goddeloze twintigste eeuw moest nog beginnen. De Bijbel, dat waren voortaan slechts verhalen. Dat van die zes dagen, die rib en de zondvloed, dat was allemaal maar bij wijze van spreken. Het echte weten was voortaan voor de wetenschappers.

Toen ik enige tijd later als 22-jarige geneeskundestudent en later als jonge kinderarts in opleiding in de verloskamer te vroeg geboren baby’s mocht opvangen voelde ik heel vaak een diepe verwondering om het pasgeboren leven. De genialiteit van de menselijke anatomie. De kleine graaiende vingertjes, de spartelende beentjes, de blinkende oogjes, de eerste schreeuw… Keer op keer voelde ik die krop in de keel, die intense verwondering om zoveel scheppingspracht. Ik weet niet of toen veel god in mijn gedachten kwam maar er was toch een aanvoelen van een dieper mysterie.

Het leek toen wel alsof er zich ondertussen een verzoening tussen geloof en wetenschap had voltrokken. De Amerikaanse paleontoloog Gould vatte het in zijn boekje God & Darwin als volgt samen: ‘De natuurwetenschap vraagt zich af hoe de hemel in elkaar zit, religie hoe wij in de hemel moeten komen.’ Niet langer een vechtscheiding tussen geloof en wetenschap, maar een succesvolle en vreedzame latrelatie. Samen in hetzelfde bed, maar opvallend… elkeen aan zijn eigen kant van het bed en laat de andere vooral niet snurken.

Op mijn drieentwintigste kreeg de relatie tussen geloof en wetenschap een wel heel bijzondere wending. Als zoekend student kwam ik toen naar een voordracht op de Blandijnberg, nota bene georganiseerd door de – toen nog heel actieve-  studenten van het KUC… en wie zat daar toen aan de ingang… U kan het misschien al raden…jawel Frederike mijn echtgenote… Over de voordracht zelf, en wat er toen gezegd werd tussen de relatie tussen wetenschap en geloof herinner ik me niets meer, maar in de nabesprekingen in de KUC-bar groeide toen het begin van een heel andere relatie…

Tijdens ons verblijf in de Verenigde Staten werden we dan weer op een heel bijzondere manier met wetenschap en geloof geconfronteerd.  Bijna dagelijks was die confrontatie onderwerp van de media. Je zult maar scholier zijn in de VS tegenwoordig: je wordt om de oren geslagen met theorieën over de evolutie, over het scheppingsverhaal en over het slimme concept van ‘intelligent design’. Het is me altijd een beetje vreemd overgekomen: de rol van geloof in Amerika. In veel opzichten is het immers het modernste land ter wereld. Ze vonden er de computers uit, ze schoten als eerste mensen naar de maan, en doen de ene na de andere briljante medische vinding. Wie in de wereld van de wetenschap wil meetellen vertrekt spoorslags naar de VS.

En toch – volgens de meerderheid van de Amerikanen – schiep God de wereld in zes dagen! Hoe kan een volk dat dag-in-dag-uit rondloopt in de meest materialistische samenleving op aarde volhouden dat Genesis de letterlijke waarheid is? Of nog: God als een soort opper-regisseur achter de evolutie. “Intelligent design”, heet het. Een meesterlijke oplossing want je haalt de bewijsbaarheid eruit. De spanning tussen geloof en wetenschap bestaat dus nog altijd. De zogenaamde latrelatie van daarnet is in feite een gewapende vrede en de spanning tussen beide is misschien wel onoplosbaar als we blijven streven naar een geloof dat moet dienen om te verklaren. Wetenschap heeft van nature de ambitie in zich om te verklaren. Verklaren hoe de hemel, het heelal, de werkelijkheid – het zijn, dus – in elkaar zitten. Maar laten we die ambitie voorbehouden voor de wetenschap. Godsdienst en geloof dienen en deugen niet om dingen te verklaren.

Slimmere mensen – dan mezelf – hebben hier heel veel en lang over nagedacht.  De Zwitserse theoloog Hans Küng doet dat in zijn boek “Der Anfang aller Dinge”, het begin van alle dingen. Küng pleit voor een vreedzaam samengaan van wetenschap en geloof. Geen confrontatie, geen integratie, maar complementariteit. Ieder aan zijn kant van het bed. Alleen stopt Küng stiekem wel een extra kussentje achter de rug van de theoloog, zodat die toch wat hoger komt te liggen. De wetenschapper moet immers zijn plaats kennen! ‘Hij mag’, schrijft Küng, ‘zijn oordeel niet over de ervaringshorizon heen tillen’. Aan de overkant van die horizon is de theoloog namelijk onze gids. Die ziet vérder dan de wetenschapper en zal ons laten kennismaken met de echt grote metafysische vragen. Met andere woorden: wat die wetenschappers uitvreten, is eigenlijk maar een voorzetje op het echte werk. De theologie en filosofie staan hoger in de hiërarchie der menselijke activiteiten.

Volgens de Amerikaan Daniel Dennett is het echter net omgekeerd. In Breaking the Spell, vertaald als “De betovering van het geloof”, draait hij de hiërarchische verhoudingen helemaal om. Het is de wetenschap die hoger staat, verder kijkt en meer vermag dan het geloof. De wetenschap moet het geloof namelijk verklaren.  Al die grote vragen, al die ideeën over God, al dat vertrouwen, al dat geloof – het speelt zich allemaal af tussen onze oren, in ons brein. Een brein dat is geëvolueerd, geboetseerd, gemaakt door natuurlijke selectie. Met één duidelijk doel: overleven en reproduceren. Waarom zullen wij nooit het antwoord kennen op de vraag waarom het heelal bestaat? Simpel. Omdat onze hersenen daarvoor niet gemaakt zijn. Waarom zullen wij niettemin altijd het antwoord op al die grote vragen blijven zoeken? Omdat onze hersenen gemaakt zijn om antwoorden en verklaringen te zoeken.

In de discussie over geloof en wetenschap zouden we in de 21st eeuw met een schone lei kunnen herbeginnen, en het geloof opnieuw een kans geven om kennis te paren met wijsheid. We moeten als wetenschappers durven erkennen dat de rede niet volstaat. Dat we open moeten blijven staan voor de waarheid die we innerlijk aanvoelen. Al duizenden jaren en in alle culturen heeft de mens aangevoeld dat hij deelgenoot is aan een oneindig mysterie. Hij is vrij, hij is een uniek persoon, er is zoiets als absolute menselijke waardigheid, er is liefde en goedheid en er is vrijheid: dit juist maakt ons leven zinvol en biedt het referentiekader om te kunnen ontstijgen aan wat ons in de ban houdt van onze biologie, onze kennis en de sociale krachten. De mens heeft een roeping en hiermee is veel gezegd over wat geloof voor de wetenschap kan betekenen: het scherpe en appelerende geloof dat we deelgenoot zijn aan een oneindig mysterie, waarin we door het Hogere geroepen worden ons persoonlijk in te zetten voor de vervolmaking van de schepping. Zo kunnen we de wereld zien als een cadeau, dat met een oneindige liefde aan de mensheid is gegeven, en waarvoor we nu de grootste zorg moeten dragen. Dit is het gelovig referentiepunt dat ik wil gebruiken voor mijn wetenschappelijke arbeid.

Rabbi Bunan zei het als volgt: “Een mens zou in zijn broekzak twee stenen moeten dragen; op de ene staat de inscriptie “ik ben slechts stof en as” en op de andere “voor mijn bestaan werd de wereld geschapen”.

 

3

Ten dage dat Hij maakte

hemel en aarde —

er waren geen bomen,

geen halmen van grassen op aarde,

er viel nog geen regen

die dag dat Hij maakte de mens.

Die dag boetseerde Hij,

niet uit het licht van de hemel,

boetseerde Hij uit het stof van de aarde

mij, stof van de aarde,

blies adem van leven

in mijn neusgaten,

werd ik een levende ziel,

een mensje —

wie zijn wij dat Gij ons gedenkt

Hij plantte vlakbij zonsopgang een tuin,

Hij nam de mens in zijn hand,

Hij plaatste de mens in de tuin.

Hij sprak tot mij:

Het is niet goed

als jij alleen blijft,

mensenkind.

Zou ik niet

iemand die jou zoekt en vindt

voor je maken?

Die mij aanziet?

Die jou roept en antwoord geeft,

die jou aanziet.

Tamme dieren, wilde beesten,

hoge vogels die Hij maakte.

Alle namen die ik riep,

die zij dragen

als een lichtglans.

Maar geen die mij riep.

Breng mij in een diepe slaap.

Neem de sterkste van mijn ribben.

Maak daaruit één die mij roept en

zoekt en vindt en antwoord geeft,

been van mijn gebeente.

Iemand

die mij aanziet

dat wij leven.

 

 

4

Scheppingsgeloof. Een meditatie

 

 Het opgewekte lied dat we daarnet zongen, is gebaseerd op een stukje van het tweede scheppingsverhaal. En door dat verhaal als een lied te zingen, wordt het op een licht ironische wijze onttrokken aan een bepaalde soort discussie waarin het in de loop der tijden is verzeild geraakt, de discussie nl. tussen bijbel en wetenschap over de verklaring van het ontstaan van de werkelijkheid. Bart heeft die discussie voor zichzelf beslecht. Laat het maar ééns en voorgoed duidelijk zijn dat de bijbelse verhalen van Genesis geen enkele wetenschappelijke pretentie hebben en ook niet kúnnen concurreren met onderzoekingen die wel die pretentie hebben. De bijbel zal op dat niveau altijd de duimen moeten leggen voor de wetenschap, en terecht. In de sterk mythisch gekleurde scheppingsverhalen gaat het echter over iets heel anders. Er wordt een geloof in tot uitdrukking gebracht als antwoord op de meest fundamentele vraag die mensen zich stellen, vroeger en nu, of nog beter gezegd, op een vraag die wij zelf zijn. De vraag naar het waarom. Waarom ben ik er?

Dát ik er ben, is duidelijk; maar ik had er evengoed niet kunnen zijn; en ik besef zeer goed dat er een tijd is geweest dat ik er niet was en dat er een tijd zal komen dat ik er niet meer zal zijn. Dat ik dus ook als eindige mens mijzelf niet kan verklaren. Waarom ben ik er dan? En kan het uiteindelijk iemand wat schelen of ik er ben of niet ben? Die vragen spreken niet over een ‘probleem’, maar over een ‘mysterie’. Het scheppingsgeloof kan dus ook geen  onomstotelijk bewezen antwoord geven. Het drukt verhalenderwijs een vertrouwen uit dat mijn bestaan niet zomaar een toevalligheid is, een gril van de evolutie, maar dat mijn bestaan is gewild, dat ik in het bestaan word gewenst door degene die ik stamelend ‘God’ noem, de Zijnsgrond van al wat bestaat, de Eeuwige, de oorspronkelijke aanraking van de Liefde – of hoe zal ik Het noemen, hoe Hem aanspreken, hoe Haar benaderen?

Daardoor precies is het geloofsantwoord een ander standpunt dan een louter filosofische of wetenschappelijke benadering: mijn leven is gewenst. Ik vertrouw daarop, ik hoop dat, ik geloof dat, ik zou er mijn hart durven op verwedden… Zo geef ik aan mijn bestaan een oorsprong die veel meer is dan een oorzakelijkheid; ik geef aan de oorsprong van mijn bestaan een vrijheid, een verlangen, iemand die mij in het bestaan roept. We hebben nu eenmaal beelden nodig om daarover te spreken. Mag ik het verduidelijken met het eenvoudige voorbeeld van klein Jantje dat aan papa en mama vraagt waar hij vandaan komt. De ouders denken verkeerdelijk dat Jantje, nog zo jong (!), vraagt naar seksuele voorlichting, en ze geven die. Maar het kind blijft onrustig en blijft hardnekkig zijn vraag waar ie vandaan komt stellen. Tot mama zegt: papa en ik wilden dat jij bij ons kwam, jij onze schat, we hebben zo naar jou verlangd, we hebben je geroepen tot je bij ons kwam, en nu je er bent, zijn we zo blij. En Jantje wordt helemaal rustig en gaat spelen. Hij ervaart zich als gewild, als geroepen, als gewenst. Hij, Jantje, mag er zijn. Dat wordt in de joodse en de christelijke traditie nog eens versterkt door de gewilde oorsprong in de Eeuwige te plaatsen. Zo staat er geschreven in de psalm: zelfs al zouden vader en moeder mij verlaten, dan nog ben ik door jou gewenst in mijn diepste wezen.

Dat is de duidelijkste invulling van het bijbelse scheppingsgeloven: wij worden in het bestaan geroepen door het Woord. Scheppen is meer dan veroorzaken, het is een daad van liefde. Waarom ben ik er? Omdat iemand mij wil, ik in mijn eigenheid, want hij wil een relatie met mij aangaan. Heel het bijbelse denken wordt bepaald door de verbondsgedachte waar de Eeuwige de partner wil zijn van de mens, een mens roept tegenover zich om zich aan hem of haar te schenken, om in wederkerige liefde te leven. In die zin is het niet juist wat men gedurende eeuwen aan de mensen heeft wijsgemaakt: dat wij alleen maar uit te voeren hebben wat de Schepper van eeuwen af zou beslist hebben, of nog meer van dat gehoorzaam, onderworpen of volgzaam gepraat.

 Het is net andersom. Ik ben afhankelijk van mijn Schepper die mij tot het bestaan roept maar dat gebeurt precies opdat ik vrij mijn bestaan zou uitbouwen. Het is de paradox van kinderen verwekken en opvoeden. Als Jantje baby was hing hij voor alles van zijn ‘verwekkers’ af, maar  die hebben hem toch verwekt – als het goed is – opdat hij ooit zelf zijn bestaan in handen zou nemen. Ook het scheppingsgeloof lijkt paradoxaal: enerzijds ben ik afhankelijk want mijn bestaan hangt van iemand af, anderzijds wil die iemand dat ik vrij en onafhankelijk leef. Het tweede scheppingsverhaal drukt dat prachtig uit. Jahweh maakt de mens uit klei en dan blaast hij levensadem in de neus van de mens; we hebben het gezongen: “blies adem van leven in mijn neusgaten, werd ik een levende ziel, een mensje – wie zijn wij dat Gij ons gedenkt.” Door de adem wordt de mens een levend wezen. Levend wezen staat symbool voor zelfstandigheid. God zelf wil dat de mens op eigen benen staat: zelf-standig. Mijn vrijheid is door de Schepper gewild. Hij wil mij onafhankelijk omdat Hij met mij een wederkerige liefdesrelatie wenst op te bouwen. Wij zijn geen levenloze marionetten voortbewogen door de maker ervan, maar evenwaardige partners in een wederkerige relatie met degene die ons tot leven riep. En het is dus nogal wiedes dat, zoals in elke relatie, het hem wel degelijk kan schelen of  en hoe ik er ben.

Als ik zeg ‘relatie’, dan gaat het over wel én wee. Je hoort mensen –terecht – soms uitschreeuwen: hoe kan die Schepper die elk mens in het leven roept dan zoveel lijden toelaten? Als je die vraag zó stelt, dan zie je de Schepper eigenlijk als degene die los en boven de schepping staat. Maar mogen we niet met evenveel vertrouwen stellen dat de Eeuwige zich zodanig met de lijdensgeschiedenis van mensen heeft vereenzelvigd in zijn Woord dat vlees geworden is, dat de goddelijke openbaring ook gebeurt op het kruis. Jezus die hangt dood te bloeden op een kruis durven wij christenen ook een godsopenbaring noemen. Als God overal te vinden is, dan duidelijk ook temidden van de lijdensgeschiedenis van mensen die hij niet als een buitenstaander veroorzaakt of toelaat, maar waar hij solidair mee is. En wij worden telkens opnieuw opgeroepen in die solidariteit te delen.

Er valt nog zoveel te zeggen, maar ik zou willen eindigen met erop te wijzen dat ons scheppingsgeloof vooral heden en toekomst betreft. Schepping is niet zozeer gebeurd in het verleden, maar is eeuwige actualiteit. Ze is bezig. We mogen de Schepper gelijktijdig denken met het scheppend gebeuren, zó dat de werkelijkheid nú zijn buitenzijde is, zijn lichamelijkheid en aanwijsbaarheid. En wij als schepselen mogen participeren in dat goddelijke gebeuren. Als deelhebbend aan Gods bestaan zijn ook wij dus goddelijk. Ik kan niet bestaan buiten God, en zo kan God ook niet buiten mij bestaan. Want God wil mij als partner en partnerschap en dat veronderstelt wederkerigheid. Verbond, vrijheid en liefde. Schepping is ook toekomst. Want God is niet af, Hij is aan het worden. We beleven de Eeuwige in ons menselijk verlangen naar bestendiging van ons geluk, in onze openheid naar iets dat ons overstijgt; we beleven de Eeuwige in alle pogingen die we ondernemen om de werkelijkheid te verkennen, om de waarheid te vinden. De schepping is niet het vertrekpunt maar het trekpunt waardoor wij als een magneet aangezogen worden. God de verlokker, de verleider, onze droom, ons visioen, onze utopie. Zo zie je maar dat wij niet zonder beelden kunnen… als we ze maar ook onmiddellijk relativeren.

 

5

Verzameld rond de tafel van Jezus zijn we samengekomen om eucharistie te vieren. Vieren is Jezus’ inspirerende woorden over je laten komen en ze bevestigen. Vieren is je laten raken en bezielen, en weten dat wat samen beleefd wordt, vonken kan geven voor lange tijd. Vieren is bij uitstek aanzitten aan een tafel waar brood en wijn is voor velen, nooit te weinig, voor ieder genoeg. Vieren is Jezus Christus in breken en delen aanwezig weten als de kern van je geloof. Vieren is ervaren dat dít doen met velen, het grote vuur kan doen oplaaien, de kracht van God zelf.

Vieren is ook een plaats vrij laten aan de gedekte tafel. Een plek voor de onverwachte gast, voor de metgezel die in stilte met ons meegaat. Een plaats voor hen die ziek zijn en rekenen op ons steunend gebed, een plek voor hen die veraf zijn maar zich toch met ons verbonden weten en een plaatsje voor onze dierbare overledenen die een heel bijzondere plaats in ons hart dragen.

 

 

6

Psalm 139 – in de vertaling van de Naardense Bijbel

Gij kent mijn zítten, mijn ópstaan,

hebt begrépen mijn dénken van vérre.

Gij zijt de maat van mijn gáan en mijn líggen,

met al mijn wégen zíjt gij vertróuwd.

Want er komt geen zín op mijn tóng,-

zie ÉNE, gij ként haar volkómen.

Van achter, van voren hebt gíj mij omklémd,

hebt ge op mij uw hándpálm gelégd

Te wónderbaar is mij dit wéten, te stéil,

ik kán er niet bíj!

Waar zal ik heen om uw Géest te ontgáan,

waarhéen om voor uw áanschijn te vlúchten?

Als ik opstijg ten hémel, zijt gíj daar,

kies ik als bed de hél, zie, dáar zijt gíj!

Al zal ik uitslaan de vléugels van het mórgenrood,

al ga ik wónen áchter de zée,

ook daar zal uw hánd mij geléiden,

zal mij gríjpen uw réchterhánd.

Zeg ik: ‘ach dúister, vermáal mij’,

nácht mag voor mij wórden het lícht!-

dan is ook duister voor u niet te duister en nacht is lícht als de dág,

de dúisternis is áls het lícht!

Ja gij, gij hebt geschápen mijn níeren,

mij gewéven in de schóot van mijn móeder.

Ik dank u, dat ik ontzagwekkend wonderbaarlijk ben geschapen,

uw dáden zijn wónderen!- mijn ziel beséft dat bóvenmáte!

Mijn gebeente was niet verholen voor u die mij in het verbórgene máakte,

ik werd gevlochten in het óndersté der áarde.

Mij, vormeloos nog, zagen uw ogen:

op uw boekrol zijn ze alle geschreven,

dagen die wérden gevórmd, toen nog géen van hén er wás.

Mij, hoe kostbaar zijn uw gedáchten, o Gód,-

wát zijn hun hóofdstukken kráchtig!

Wil ik ze tellen, het zijn er méer dan het zánd;

ontwaak ik, dan nóg ben ik sámen met ú.

Als gij, God, bóosheid ómbrengt,

mannen van blóed van míj zullen wíjken!-

die van u zéggen: ‘een verzínsel!’,

uw náam ophéffen ten léugen.

Zal ik, ENE, uw háters niet háten

en wálgen van wie tégen u ópstaan?

Ik haat hen, mijn háat is volstrékt,

tot víjanden zijn zíj mij gewórden.

Doorgrond mij, God, en kén mijn hárt,

tóets mij en kén mijn gedáchten!

Wil zien of ik op een wég van smárt ben,

en léid mij op een wég naar de éeuwigheid!

 

 

foto: Jo Van Hoorde