Ontmoeten doet ertoe… (Over Vrede, 1)

Viering in Dominicus Gent van zondag 22 september 2013, eerste viering in een reeks van drie over Vrede:

Ontmoeten doet er toe

 

Welkom en aansteken van paaskaars
Aan elk van jullie een hartelijk welkom toegewenst. Jij alleen of samen met. Jij met je verborgen pijn, jij met je dankbare vreugde. Jij nog steeds gejaagd op zoek naar zin, jij gekomen in de rustige zekerheid van Gods aanwezigheid. Niemand is hier te veel, niemand is te groot, geen een is te klein. Welkom allemaal.
Mag ik jullie uitnodigen om de Levende welkom te heten in ons midden met het prachtige lied van weg en omweg: de Levende heeft me uit de schoot van mijn moeder getrokken, mijn ogen gewoon gemaakt aan het licht, hij heeft mijn voeten zo gezet dat ik erop kan staan, stevig, en dat ik de wegen kan gaan die van een mens – die naam waardig – kan verwacht worden.
Dat is de weg die God met ons wil gaan. Maar meestal is er de omweg… wanneer ik niet rechtop sta, en neerzit langs de kant, wanneer ik moe ben en dorstig, wanneer ik neerlig in het stof. Wanneer ik vrees dat ik aan mezelf ben overgelaten. Kortom, als het mij niet goed gaat. Dan, nog veel sterker, is de Levende, de Liefde ons nabij. Als we alleen nog ons vertrouwen hebben, komt zij ons ongezien nabij en trekt ons naar zich toe.
Openingslied: Lied van weg en omweg. 
(t. H.Oosterhuis, m.A.Oomen)
Die mij getrokken uit de schoot 
mij mens genoemd hebt en geëigend 
mijn ogen wende aan het licht
mijn voeten zette dat ik stond
mij hebt doen weten dat ik gaan kon
dat ik zou komen waar Gij zijt
die als neerzit aan de kant van de weg
en omweg, moe en dorstig, 
mij overschaduwt met uw Naam
die toen ik neerlag in het stof
mij hebt omgeven met uw duisternis
dat geen gedierte mij verslond
die ongezien mij trekt tot U
U zal ik ongezien vertrouwen
laat mij niet over aan mijzelf.
Die ongezien mij trekt tot U
U zal ik ongezien vertrouwen
laat mij niet ongezien vertrouwen 
laat mij niet over aan mij zelf.

Inleidend bij de Vlaamse vredesweek  
Gisteren, 21 september, werelddag van de vrede en start van de Vlaamse Vredesweek – Vredesweek die loopt tot 2 oktober, werelddag van de geweldloosheid.
Drie zondagen wijden we hier aan het thema van vrede en geweldloosheid. We staan stil bij blokdenken/vijanddenken en geweldloosheid en brengen het thema van de Vlaamse Vredesweek onder uw aandacht ‘Ontmoeten doet er toe’ over het belang van ontmoeting, dialoog en ruimte voor maatschappelijke actie.
Vandaag doen we een eerste voorzet en openen we met een bijzonder ontmoetingsverhaal: Handelingen 10:
Verhaal van Cornelius en Petrus (Handelingen 10)
 
[1] Een van de inwoners van Caesarea was een centurio van de Italiaanse cohort, die Cornelius heette. [2] Hij was een vroom man die, net als zijn huisgenoten, God vereerde. Hij gaf rijkelijk aalmoezen aan het volk en bad veelvuldig tot God. [3] Op een dag kreeg hij omstreeks het negende uur een visioen, waarin hij duidelijk zag hoe een engel van God zijn huis binnenkwam. Hij hoorde hem zeggen: ‘Cornelius!’ [4] Hij staarde de engel verschrikt aan en vroeg: ‘Wat is er, heer?’ De engel antwoordde: ‘Je gebeden en aalmoezen zijn door God als offer aanvaard. [5] Stuur daarom een paar van je mannen naar Joppe om Simon te halen, die ook wel Petrus wordt genoemd. [6] Hij verblijft bij een leerlooier die eveneens Simon heet en in een huis aan zee woont.’ [7] Toen de engel die met hem had gesproken was weggegaan, liet Cornelius twee dienaren bij zich komen en een vrome soldaat uit zijn gevolg. [8] Nadat hij had uitgelegd waar het om ging, stuurde hij hen naar Joppe. [9] De volgende dag, nog voordat de afgezanten van Cornelius in Joppe waren aangekomen, ging Petrus omstreeks het middaguur naar het dak van het huis om daar te bidden. [10] Maar hij kreeg honger en wilde iets eten. Terwijl er eten voor hem werd klaargemaakt, werd hij gegrepen door een visioen. [11] Hij zag hoe vanuit de geopende hemel een voorwerp dat op een groot linnen kleed leek aan vier punten op de aarde werd neergelaten. [12] Op het kleed bevonden zich alle lopende en kruipende dieren van de aarde en alle vogels van de hemel. [13] Hij hoorde een stem zeggen: ‘Ga je gang, Petrus, slacht en eet.’ [14] Maar Petrus antwoordde: ‘Nee, Heer, in geen geval, want ik heb nog nooit iets gegeten dat verwerpelijk of onrein is.’ [15] En voor de tweede maal hoorde hij de stem: ‘Wat God rein heeft verklaard, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen.’ [16] Tot driemaal toe hoorde hij de stem, en direct daarna werd het voorwerp weer in de hemel opgenomen. [17] Petrus vroeg zich verbijsterd af wat de betekenis kon zijn van het visioen dat hij had gezien. Juist op dat moment arriveerden de afgezanten van Cornelius bij de poort, nadat ze overal navraag hadden gedaan naar het huis van Simon. [18] Ze trokken door geroep de aandacht van de bewoners en vroegen of Simon Petrus in dit huis verbleef. [19] Terwijl Petrus nog nadacht over het visioen, zei de Geest tegen hem: ‘Er zijn hier drie mannen die naar je op zoek zijn. [20] Ga meteen naar beneden en ga zonder aarzelen met hen mee, want ik heb hen gezonden.’ [21] Petrus ging naar beneden en zei tegen de mannen: ‘Ik ben degene die u zoekt. Wat is de reden van uw komst?’ [22] Ze antwoordden: ‘Cornelius, een centurio, een rechtvaardig man die God vereert en bij het hele Joodse volk in aanzien staat, heeft van een heilige engel opdracht gekregen u naar zijn huis te laten komen om te luisteren naar wat u te zeggen hebt.’ [23] Daarop nodigde Petrus de mannen uit om binnen te komen en bood hun onderdak. De volgende dag ging hij samen met hen op weg, en enkele broeders uit Joppe gingen met hem mee. [24] Een dag later kwam hij in Caesarea aan, waar hij werd opgewacht door Cornelius, die zijn familieleden en zijn naaste vrienden bijeen had geroepen. [25] Toen Petrus het huis wilde binnengaan, kwam Cornelius hem tegemoet, en hij wierp zich eerbiedig voor zijn voeten ter aarde. [26] Maar Petrus hielp hem overeind en zei: ‘Sta op. Ik ben ook maar een mens.’ [27] Al pratend met Cornelius ging hij naar binnen, waar hij een groot aantal mensen aantrof. [28] Hij zei tegen hen: ‘U weet dat het Joden verboden is met niet-Joden om te gaan en dat ze niet bij hen aan huis mogen komen, maar God heeft me duidelijk gemaakt dat ik geen enkel mens als verwerpelijk of onrein mag beschouwen. [29] Daarom heb ik me niet verzet toen ik naar u toe werd gestuurd. Mag ik weten waarom u mij hebt laten komen?’ [30] Cornelius antwoordde: ‘Vier dagen geleden zei ik op ditzelfde tijdstip in mijn huis het namiddaggebed toen er opeens een man in een stralend gewaad voor me stond, [31] die me als volgt toesprak: “Cornelius, je gebed is verhoord en God heeft je aalmoezen aanvaard. [32] Stuur daarom iemand naar Joppe om Simon, die ook Petrus genoemd wordt, te laten komen; hij verblijft bij Simon, de leerlooier, in een huis aan zee.” [33] Ik heb meteen een paar mannen naar u toe gestuurd, en het is goed dat u gekomen bent. We zijn hier ten overstaan van God bijeen om te luisteren naar alles wat u door de Heer is opgedragen.’ [34] Daarop nam Petrus het woord en zei: ‘Nu begrijp ik pas goed dat God geen onderscheid maakt tussen mensen, [35] maar dat hij zich het lot aantrekt van iedereen, uit welk volk dan ook, die ontzag voor hem heeft en rechtvaardig handelt. [36] God heeft aan de Israëlieten bekendgemaakt dat hij door Jezus Christus het goede nieuws van de vrede is komen brengen. Deze Jezus is de Heer van alle mensen. [37] U weet wat er in heel het Joodse land is gebeurd, hoe het begon in Galilea, hoe God, na de doop waartoe Johannes opriep, [38] Jezus uit Nazaret met de heilige Geest heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed. Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond hem bij. [39] Wij zijn de getuigen van alles wat hij gedaan heeft, in het land van de Joden en ook in Jeruzalem. Zeker, ze hebben hem gedood door hem aan een kruishout te hangen, [40] maar God heeft hem op de derde dag weer tot leven gewekt en hem aan de mensen laten verschijnen, [41] niet aan het hele volk, maar aan enkele getuigen die daartoe door God waren aangewezen, aan ons namelijk, die samen met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de dood was opgestaan. [42] Hij heeft ons opgedragen daarvan getuigenis af te leggen en aan het volk bekend te maken dat hij het is die door God is aangesteld als rechter over de levenden en de doden. [43] Van hem getuigen alle profeten dat iedereen die in hem gelooft door zijn naam vergeving van zonden krijgt.’ [44] Terwijl Petrus nog aan het woord was, daalde de heilige Geest neer op iedereen die naar zijn toespraak luisterde. [45] De Joodse gelovigen die met Petrus waren meegekomen, zagen vol verbazing dat ook heidenen het geschenk van de heilige Geest ontvingen, [46] want ze hoorden hen in klanktaal spreken en God prijzen. Toen merkte Petrus op: [47] ‘Wie kan nu nog weigeren deze mensen met water te dopen, nu ze net als wij de heilige Geest hebben ontvangen?’ [48] En hij gaf opdracht hen te dopen in de naam van Jezus Christus. Daarna vroegen ze hem of hij nog enkele dagen wilde blijven.
Lied: De woorden die wij spraken tot elkaar
 
De woorden die wij spraken tot elkaar,
haastige harde lieve onverstane,
de nacht die wij verzwegen voor elkaar,
de bange dromen, de doorluchte wanen,
de dagen die wij gingen met elkaar
in donker woud door schaduwlicht lanen.
 
De mensen die wij werden één voor één,
spelende handen helderziende ogen,
lichamen stromend water steen en been,
vurige zielen vonken mededogen,
die ene die wij zijn en anders geen,
die anderen die wij nog worden mogen.
 
Dit niets dat overleeft ternauwernood,
dit alles dat ik ben in vrees en beven,
dit enig hier-nu tegen doem en dood,
dit korte lichte lange eigen leven
dat wij ontvangen als genadebrood,
dat ons gegeven is en blijft gegeven.
 
(H. Oosterhuis en T. Löwenthal)
Duiding van het verhaal
Een schitterend lied na een schitterend verhaal – een perfecte illustratie van ‘Ontmoeten doet er toe’…. Het is niet vanzelfsprekend om de juiste woorden te vinden voor de verandering die Petrus meemaakt, het is niet vanzelfsprekend te groeien naar een identiteit (‘die ene die wij zijn en anders geen’) en tegelijk open te staan, te durven veranderen (‘die anderen die wij nog worden mogen’).
Wanneer mensen vastzitten in eigen groot gelijk, in kramp om behoud van wat altijd al zo geweest is en altijd zo moet blijven…dan kunnen alleen bijzondere ontmoetingen een dynamiek in het leven brengen en verandering bewerkstelligen.
In de periode na Jezus’ dood is Petrus woordvoerder van de leerlingen. Hij spreekt vol vuur en vlam, geneest, maant de toehoorders aan tot bekering, wordt verschillende keren gevangengezet maar ook weer vrijgelaten of bevrijd door een engel.
Dit vrijmoedig spreken werkt aanstekelijk, het aantal mensen dat Jezus als de Messias erkent groeit aan, maar de Thora blijft het richtsnoer: joodse gebruiken en wetten worden in deze eerste periode niet in vraag gesteld. Het wettisch denken en handelen binnen het schema ‘rein en onrein’ is dominant voor het persoonlijk leven (wat je wel en niet mag eten bv.) en is structureel verankerd in de joodse samenleving: onreinen horen er niet bij. De reinheidswetten staan voor een ingenieus systeem van uitsluiting.
Petrus die aanvankelijk in Jeruzalem blijft – voor een jood is dat immers the place to be- gaat geleidelijk aan verder van Jeruzalem weg om te spreken en te genezen…
Letterlijk afstand nemen van het vertrouwde is vaak een goede manier om los te komen uit vastgeroeste denkpatronen. Petrus komt aan de kust, eerst in Lydda en dan in Joppe (te situeren onder het huidige Tel Aviv) – Wetsgetrouw blijven en de reinheidswetten respecteren is makkelijker tussen joodse gelijkgezinden dan wanneer je buiten de hoofdstad in contact komt met andere visies… Maar blijkbaar groeit Petrus hier al onbewust in… want de auteur Lucas vermeldt -eerder terloops- het beroep van Petrus zijn gastheer: Simon de leerlooier… Een leerlooier, iemand die dode dieren aanraakt, dierenhuid bewerkt, zijn handen vuil maakt aan bloed? Een onrein beroep dus. Hier is de wetsgetrouwe Petrus probleemloos te gast: hier eet hij en slaapt hij. Op zijn minst opmerkelijk, want een wetsgetrouwe jood blijft ver van oorden waar de kans op onrein worden groot is.
De vreemde zaken op het dak (het visioen met het laken) tonen m.i. de innerlijke strijd van Petrus: drie maal een laken met onreine dieren, verleidelijk om op te eten …zeker rond het middaguur als je honger hebt. Petrus begrijpt er niets van maar is wel ‘flink’: hij weigert categoriek: ‘geen sprake van!’ (zo kennen we hem: ‘ik zal u niet verloochenen!’)… tot drie maal toe. Gaat ook hier een haan kraaien wanneer hij zijn belofte niet kan houden?…Deze keer geen haan, maar de bel…Hij krijgt bezoek: afgezanten van Cornelius, een officier (een centurio) van een Italiaans legercohort: een heiden, alweer geen reine wetsgetrouwe, zelfs geen volksgenoot. Een engel van God heeft hen gestuurd… God zelf wil dat de reine Petrus en de vrome heiden elkaar ontmoeten.
Petrus ontvangt de mannen allerhartelijkst, nodigt hen uit bij hem te overnachten vooraleer hij daags nadien met hen mee zal gaan.
Hoe verder weg van het reinheidscentrum Jeruzalem, hoe interessanter de ontmoetingen waar God zelf de hand in heeft via visioenen. Visioenen bewerkstelligen hier visie-veranderingen via bijzondere ontmoetingen (visioen wordt visie). Petrus wordt opnieuw aan het denken gezet in het verlengde van het lakenvisioen: over rein en onrein en de barrières die zo’n exclusief denken opwerpt.
Het is een flinke eind stappen van Joppe naar Caesarea (een kleine 70 km heb ik nagekeken)…verandering in denken en doen gebeurt niet in een handomdraai, daar gaat tijd over, er is een lange weg te gaan. Cornelius in Caesarea nodigt ondertussen vrienden en familie uit om erbij te zijn wanneer Petrus komt. Het onderstreept m.i. het belang van de ontmoeting en de ernst van de verandering in denken en doen die op til is: dit is niet privaat, dit moet weerklank krijgen.
Wanneer Petrus in Caesarea aankomt werpt Cornelius zich voor diens voeten… Maar dat is buiten Petrus gerekend: die helpt Cornelius op te staan ‘Sta op. Ik ben ook maar een mens’…(Ik zie het zo voor mij: met dezelfde heftigheid waarmee hij eerder tegen Jezus zei: Mijn voeten zult ge niet wassen, nooit!)
Eens Petrus binnen is, is hij in staat om te verwoorden welke verandering zijn denken en handelen heeft doorgemaakt: “God heeft me duidelijk gemaakt dat ik geen enkel mens als verwerpelijk of onrein mag beschouwen” en even verder: “Nu begrijp ik pas goed dat God geen onderscheid maakt tussen mensen, maar dat hij zich het lot aantrekt van iedereen, uit welk volk dan ook” – “God heeft aan de Israëlieten bekend gemaakt dat hij door Jezus Christus het goede nieuws van de vrede is komen brengen. Deze Jezus is de Heer van alle mensen”. God zelf heeft de engheid van de reinheidswetten doorprikt.
Wie anderen als onrein of als heiden bestempelt, stelt zichzelf boven de ander en zaait daarmee het begin van ongelijkheid, wantrouwen en geweld – wie durft mede-mens te worden, gelijke durft te worden…, wie daarin een weg durft te gaan en durft te veranderen… die komt bij een waarheid die groter is dan hemzelf, die kan vrede proeven.
We kunnen ons de vraag stellen wie in de samenleven van vandaag de onreinen zijn. De vrouw met een hoofddoek, de man die werkzoekend is, de jongere die protesteert tegen het woonbeleid en zich aansluit bij een krakersgroep, mensen zonder juiste papieren?
Fysieke ontmoetingen (dus niet louter digitaal via mail of facebook) werken preventief tav angst en geweld, ze werken ontzenuwend… soms ervaren we dan wat vrede ten diepste kan zijn…
Meestal strompelen we op die weg, met vallen en opstaan… Vaak stamelen we met halve woorden en blijven we vreemden…. Maar het visioen is er – niet alleen bij Cornelius of op het dak van de leerlooier- eenmaal zullen we elkaar van mens tot mens verstaan…
Lied: Nu nog met halve woorden 
 
Nu nog met halve woorden hier en daar
kijkend in donkre spiegels, bijna waar,
blijven wij vreemden die zien en weer vergeten,
doen in den blinde wat moet, maar ongeweten.
Dan, eenmaal, wordt wat niet bestaat: wij zullen opengaan
en zien en horen, oog in oog, van mens tot mens verstaan.
 
Weten voorbij aan alle angst en schijn,
en liefde, liefde zal geen woord meer zijn.
Lichaam en zwijgen genoeg, en onze namen
rusten in licht als lam en leeuw tezamen.
Nu nog verslaafd, waar waar en vrij, ontketend, onverbloemd.
Nu nog in tranen, dan getroost en met mijzelf verzoend.
 
(Huub Oosterhuis / mel. ‘O heer die daar des hemels tente spreidt’)
 
IMG_6744

(foto’s= Guido Vanhercke)