BELOKEN PASEN 2026 (OVER KANTELAARS…)

Dominicus Gent

Viering van Beloken Pasen

Zondag 12 april 2026 

 

Welkom op deze zondag van Beloken Pasen. We voelen ons hier in de kerk verbonden met jullie die thuis meevolgen.

De paasversiering zindert nog door, maar de wereld buiten voelt vaak allesbehalve feestelijk. We leven in tijden waarin het ‘kompas soms zwijgt’. Hoe hou je in godsnaam stand als de onmacht en de angst om de hoek komen loeren? Rond dit thema vieren we deze zondag en ook volgende zondag.

Vandaag zoeken we naar ‘kantelaars’. Het zijn mensen die de wereld niet in hun eentje redden, maar die met een klein zetje de boel richting het goede doen kantelen.

We laten ons inspireren door Psalm 139. Die ons herinnert aan een verbondenheid die dieper gaat dan de waan van de dag. Het lijkt de grot van Plato: soms zitten we naar schaduwen op een muur te staren en missen we het licht dat van elders komt.

We zijn kwetsbaar, zoals papieren kunstwerken op een ruwe stadsmuur. Maar omdat die er te zijn, verandert de plek.

De duisternis heeft niet het laatste woord, want voor de Eeuwige is de nacht even stralend als de dag. Laten we dat Paaskaarslicht nu midden onder ons plaatsen.

 

Wees hier aanwezig, woord ons gegeven,
dat ik U horen mag met hart en ziel.

Wek uw kracht en kom ons bevrijden.
Wek uw kracht en kom ons bevrijden.

Woord ons gegeven, God in ons midden,
toekomst van vrede, wees hier aanwezig.
Uw wil geschiedde, uw koninkrijk komen.
Zie ons, gedoog ons, laat ons niet vallen.

Wek uw kracht en kom ons bevrijden;
Wek uw kracht en kom ons bevrijden.

Dat wij niet leven, gevangen in leegte.
Dat wij niet vallen terug in het stof.
Zend uw geest, dat wij worden herschapen.

Wek uw kracht en kom ons bevrijden.
Wek uw kracht en kom ons bevrijden.

Dat wij U horen, dat wij U leven,
mensen voor mensen, alles voor allen.
Dat wij volbrengen uw woord, onze vrede.
Wek uw kracht en kom ons bevrijden.

Wek uw kracht en kom ons bevrijden.
Wek uw kracht en kom ons bevrijden.

T. Huub Oosterhuis / M. Tom Löwenthal

 

Inleiding op psalm 139

Hoe houden we stand in deze duistere tijden. Er is zoveel onmacht en verontwaardiging rondom ons. We zijn vooral bang. Een verandering ten goede komt niet uit de lucht vallen. Sommigen klampen zich vast aan hun geloof. Ze bidden dat het kwaad overwonnen mag worden.

Deze klacht klinkt ook in de Bijbel. Het is een geschiedenis van mensen die leven in angst: slaven in Egypte, ballingen in Babylonië, bezetting door Alexander de Grote en de Romeinen. Laat ons toch niet aan ons lot over. Zie ons, help ons, kom ons bevrijden. We kunnen de stormvloed van het kwaad niet aan. De psalmbidder richt zich tot God. Niet alleen omdat hij gelooft dat hij schepper is van het heelal, maar ook omdat hij mensen nabij is in tijden van miserie. Dat horen we ook in psalm 139 die we vandaag lezen. “Gij peilt mijn hart, Gij doorgrondt mij. Mijn wegen, alle zijn u bekend.” Dat betekent toch verbondenheid door alles heen.

Psalm 139 (Vertaling Oosterhuis)

Gij peilt mijn hart, Gij doorgrondt mij,
Gij weet mijn gaan en mijn staan.
Gij kent mijn gedachten van verre,
mijn reizen en trekken, mijn rusten.
Mijn wegen alle zijn U bekend –
ieder woord dat komt op mijn lippen,
onuitgesproken nog, Gij hoort het al.

Achter mij zijt Gij en voor mij uit.
Gij legt uw handen op mij.
Dit is wat ik niet kan begrijpen,
niet denken, dit gaat mij te boven.

Hoe zou ik uw adem ontkomen,
waarheen vluchten voor uw aangezicht.
Beklim ik de hemel, daar zijt Gij,
daal ik af in de aarde, daar vind ik U ook.

Had ik vleugels van morgenrood,
vloog ik over de verste zeeën,
ook daar Gij, uw hand,
uw rechterhand die mij vasthoudt.

Zou ik roepen: ‘Duisternis, bedek mij,
licht, verander in nacht’ –
voor U bestaat de duisternis niet.

Voor U is de nacht even licht als de dag,
de duisternis even stralend als het licht.
Uw schepping ben ik in hart en nieren,
Gij hebt mij geweven in de schoot van mijn moeder.

Ik wil U bedanken daarvoor,
dat Gij mij ontzagwekkend gemaakt hebt.

Mijn ziel en gebeente door U gekend,
in mij was niets voor uw ogen verborgen
toen ik werd gevormd in het diepste geheim,
prachtig gevlochten in de schoot van de aarde.

Ik was nog ongeboren, Gij had mij al gezien
en al mijn levensdagen stonden in uw boek
nog vóór Gij er één van had gemaakt.

Gij, eeuwige, peil nu mijn hart, doorgrond mij,
toets mijn verborgen gedachten.
Ik ben toch niet op een doodlopende weg?
leid mij voort op de weg van uw dagen.

T. Huub Oosterhuis

 

Gezongen acclamatie  

Dan nog, dan nog
klamp ik mij, klamp ik mij
vast aan jou, of je wil of niet

Op ongenade of genade
ik zal red mij red mij roepen
of zoiets als heb mij lief.

T. Huub Oosterhuis / M. Bernard Huijbers


Eerste overweging : opstanding is het begin van een nieuw leven…

De psalmisten twijfelen niet aan het bestaan van God, maar ze hebben grote vraagtekens waar zijn liefde blijft, waarom hij de mensen laat aanmodderen in hun miserie. Psalmisten houden geen hand voor de mond. Ze zeggen wat hen op het hart ligt. Daarin klinkt ook onzekerheid, twijfel. Die twijfel beluisteren door heel wat psalmen die we kennen. Ook psalm 139 gelooft in de liefdevolle nabijheid van God. En toch.

De psalmen weerspiegelen een heel complexe geschiedenis. Ze zijn een samenraapsel uit verschillende perioden uit de joodse geschiedenis. Er zijn allerlei vreemde invloeden binnen geslopen uit andere culturen en vreemde religies. Ook de filosofen zijn niet weg te denken.

Eén van de meest bekende figuren die een belangrijke invloed heeft gehad op het godsgeloof is een zekere Plato. Een filosoof uit de 4e eeuw BC. Een eminente filosoof, maar ook een zeer betwiste stem in de geschiedenis van het joodse en christelijke denken. De kern van zijn filosofisch denken komt er op neer dat de kennis die we via onze zintuigen opdoen, niet zonder meer betrouwbaar is. Er is nog een andere soort kennis die ons leert waar de echte wijsheid te vinden is, die ons de echte werkelijkheid leert zien.

Plato illustreert zijn visie aan de hand van de zogeheten “allegorie van de grot”. Het gaat als volgt: een groep gevangenen zit vastgeketend in een grot met het gezicht naar de muur zonder dat ze hun hoofd kunnen bewegen en elkaar kunnen zien. Achter hen brandt een vuur. Daar achter lopen mensen heen en weer met allerlei dingen op hun hoofd of voorwerpen die ze dragen De gevangenen zien enkel de schaduwen daarvan die op de muren van de grot vallen. Die beelden op de muur, dat is voor hen dé werkelijkheid. Ze zien niets anders. En dus is er niets anders. Tot één van hen wordt losgemaakt en gedwongen wordt naar het licht buiten de grot te gaan. Het licht is verblindend pijnlijk en ondraaglijk. Teruggekeerd in de grot vertelt hij wat hij gezien heeft. Maar hij wordt niet geloofd en voor gek verklaard.

De gevangenen staan voor de mensen die zich geïnstalleerd hebben in hun gekende, vertrouwde wereld. Ze realiseren zich niet dat ze gevangen zitten in een schijnwereld. Ze zijn niet in staat het licht te zien. Dat kan alleen wanneer ze hun schijnwereld achter zich laten. Want het licht komt van elders. Zoals de kennis van elders komt. De waarden waar we als mens naar streven komen niet uit onszelf, ze komen van “elders”. Van de zon, van buiten. Het verlangen naar dat licht rust diep in onze ziel. We kunnen er ons voor open stellen en het ontvangen.

We hebben de gewoonte om op de eerste zondag na Pasen het verhaal van de Emmausgangers te lezen. Het gaat over twee mensen die Jeruzalem de rug toekeren en terug naar huis keren. Naar vroeger. Ze zitten gevangen in hun ontgoocheling om het verlies van hun dierbare vriend. Ze hebben troost gezocht in hun gebed. Ze hebben, de voorbije dagen, als gelovige joden de psalmen gebeden, in de hoop op enig soelaas. Maar hun gebed stokte. Ze zitten opgesloten in een donkere grot waar geen licht uit straalt.

Onverwacht is er een vreemde man die met hen mee gaat en naar hen luistert. Die man heeft feeling voor hun ellende. En dat alleen al brengt een straaltje licht. Stap voor stap komt het licht binnen. Een licht dat hen niet verblindt maar dat de smeulende hoop diep in hen weer aanwakkert. Er is dan toch reden om, de aarzeling voorbij, vertrouwen te schenken. Je kunt allerlei meningen hebben over God en wie of wat hij is, maar bij de man uit Nazareth kun je niet onverschillig blijven. Hij belichaamt de bevrijding die op het paasmaal gevierd wordt. De engel van de dood is aan ons huis voorbij gegaan. Wij mogen leven. Opstanding is geen geloofspunt, het is het begin van een nieuw leven. Het is het vertrouwen dat we met Jezus van Nazareth het licht kunnen ontvangen, de wijsheid die warmte geeft. Pasen zegt: de duisternis heeft niet het laatste woord. 

Lied : Vroeg in de morgen

Vroeg in de morgen, donker was het nog,
zijn wij gegaan, een keer,
nog in ons hart de dichtheid van de nacht.

Jij bent niet die wij dachten. Uit het vuur
riep ons bij naam een stem.
Wij zagen niets. Jij riep: ‘Ik zal er zijn’.

Op licht en schaduw, bomen aan de bron,
op stilte leek die naam.
Een gloed van liefde schroeide ons gezicht.

Om wat wij hoorden (maar wat hoorden wij?)
om wat op vrijheid leek,
omdat het moest en blijven niet meer kon.

Zijn wij gegaan, onstuimig en verward,
om nergens om, om jou –
om liefde over alle grenzen heen.

Een troep die sloft en zwerft, de richting kwijt.
De nagalm van een stem.
De weerklank van wat woorden in ons hart.

Een slingerende stoet naar goed wijd land.
Een eeuwenlang smal pad.
Een ademtocht, de route van het licht.

Het duizendschone schitterende licht,
een file in de nacht,
een spoor van mensen die de nacht verslaan.

Die strompelen tot waar? Tot waar jij bent,
in rusten aan de bron,
in gloed van liefde, vuur dat niet verflauwt.

Vroeg in de morgen, donker was het nog,
zijn wij gegaan, een keer,
met niets dan in ons hart: ‘Ik zal er zijn’.

T. Huub Oosterhuis / M. Antoine Oomen


Tweede overweging: over kantelaars…

Ik breng vier korte overwegingen… Eerst iets over het zwijgende kompas

“Wat heeft het allemaal voor zin?” Het is een vraag die al eens weerklinkt in de onderbuik van de changemaker…. Ik vind ‘changemaker’ niet zo’n mooi woord. Is ‘kantelaar’ niet mooier? Het suggereert dat je de wereld niet in je eentje hoeft te veranderen. Dat je een bestaande situatie een zetje geeft waardoor deze ‘kantelt’ naar het goede. Het klinkt minder als een zware last. Het voelt als een beweging. Ik gebruik dus het woordje kantelaar voor de mens die probeert het goede te doen in een wereld die soms aanvoelt als een kluwen van crisis en onverschilligheid.

We kennen allemaal wel dat moment waarop het kompas zwijgt. Waar de noordpool van ons idealisme even niet meer reageert. Je doet wat je kunt, maar het voelt als die spreekwoordelijke druppel op een gloeiende plaat. Dit is het moment waarop de kantelaar stil valt. De duisternis is dan niet alleen buiten ons, in het nieuws of op straat. Die duisternis kruipt ook naar binnen.

Nu iets over de echo van de Psalm

We zongen het zonet. De woorden van Psalm 139, in de vertaling van Huub Oosterhuis: “Zou ik roepen: ‘Duisternis, bedek mij, licht, verander in nacht’…

Het is een menselijke reflex: als het te zwaar wordt, willen we ons verbergen. We willen de gordijnen sluiten voor de harde realiteit. Maar de psalmist zet daar een radicaal Godsbeeld tegenover. Een aanwezigheid die niet wijkt voor onze moedeloosheid: “Voor U is de nacht even licht als de dag, de duisternis even stralend als het licht.”

Dat betekent niet dat de duisternis er niet is. Het betekent dat de duisternis die grote Aanwezigheid niet kan uitdoven. God, ik zal er zijn – of hoe je die bron van leven ook noemt. God is geen toeschouwer die wacht tot wij alles weer op een rijtje hebben. Juist midden in onze twijfel, in alle stilte, is die kracht aan het werk.

Een derde korte overweging over kwetsbare kunst op de muur

Ik moet daarbij denken aan het werk van de kunstenaar Ernest Pignon-Ernest. Hij is een voorloper van de anonieme graffitikunstenaar Banksy, die we allemaal kennen. Als dat niet zo zou zijn, dan zie je hier één van zijn beroemde ingrepen in Gaza. Zijn kunstwerken vind je overal ter wereld waar ze er toe doen. Ze zijn vaak politiek en humoristisch van aard.

Pignon-Ernest hanteert geen spuitbus, maar papier. Hij plakt zijn levensgrote tekeningen op de muren van de stad. Kwetsbaar, blootgesteld aan weer en wind, aan voorbijgangers die het misschien niet eens zien.

Zijn werk herinnert ons aan mensen die standhielden: dichters als Rimbaud of Pasolini. Mensen die, net als wij, zochten naar een weg in donkere tijden. Pignon-Ernest kiest zijn plekken zorgvuldig. Hij plaatst de kunst daar waar de pijn zit, op de breuklijnen van de stad.

Dat is precies wat een kantelaar doet. We zijn als die papieren figuren op de muren van de wereld. We zijn tijdelijk, we zijn kwetsbaar, we kunnen scheuren. Maar door er te zijn, veranderen we de plek. De muur is niet langer alleen maar een koude muur; er is een menselijk gelaat op verschenen. Er is een poëtische interventie gedaan.

En tenslotte iets over hoopvol standhouden.

Standhouden als kantelaar betekent niet dat je altijd moet weten waar het noorden is. Standhouden betekent: aanwezig blijven, ook als je kompas zwijgt.

Het spreekwoordelijke lichtpunt is vaak geen groot zoeklicht dat de hele toekomst blootlegt. Het is eerder een “handvat voor de eerste stap omhoog”. Het is de wetenschap dat we “ontzagwekkend gemaakt zijn”, ook in onze kleinheid. Zoals de psalmist het verwoorde.

Onze bijdrage is wellicht een druppel. Maar zonder die druppel zou de plaat alleen maar heter worden. Standhouden is geloven dat de duisternis voor de Eeuwige – het groot mysterie – inderdaad “even stralend is als het licht”. Het is de moed vinden om, net als de figuren van Pignon-Ernest, simpelweg aanwezig te blijven op de plekken die ertoe doen.

Als we elkaar maar vasthouden als het kompas zwijgt. Als we maar voor elkaar dat lichtpunt zijn, tot de nacht weer even licht wordt als de dag.

Naar de website van Banksy > https://banksy.co.uk/

Naar de webstie van Ernest Pignon-Ernest > https://pignon-ernest.com/

Lied : Deze wereld omgekeerd 

De wijze woorden en het groot vertoon
de goede sier van goede werken
de ijdelheden op hun pauwentroon
de luchtkastelen van de sterken
al wat hoog staat aangeschreven
zal Gods woord niet overleven
hij wiens kracht in onze zwakheid woont
beschaamt de ogen van de sterken.

Zijn woord wil deze wereld omgekeerd:
dat lachen zullen zij die wenen
dat wonen zal wie hier geen woonplaats heeft
dat dorst en honger zijn verdwenen –
de onvruchtbare zal vruchtbaar zijn
mensen zullen an’dre mensen zijn
de bierkaai wordt een stad van vrede

Wie denken durft dat deze droom het houdt
een vlam die kwijnt maar niet zal doven
wie zich aan deze dwaasheid toevertrouwt
al komt de onderste steen boven:
die zal kreunen onder zorgen
die zal vechten in ’t verborgen
die zal waken tot de morgen dauwt –
hij zal zijn ogen niet geloven.

T. Huub Oosterhuis / M. Bernard Huijbers

 

Tafeldienst

Hoe houden we stand in deze duistere tijden? We hopen niet op antwoorden die afkomstig zijn uit een verre hemel. Maar wél op de wijsheid die we van elkaar ontvangen. Het is indrukwekkend hoe zovelen hier en op zoveel andere plaatsen stand houden!

Zoals de Emmaüsgangers zijn ook wij soms het noorden kwijt, voelen we ons alleen of zonder uitzicht. Daarom komen we samen rond de tafel die Jezus deelde met die Emmaüsgangers. We houden stand omdat we de zekerheid mogen delen van Jezus’ aanwezigheid in ons samenzijn en in ons hart.

We weten ons ook verbonden met hen die ons zijn voorgegaan: onze geliefde doden en ook met allen die standhouden in deze duistere tijden
Mogen we steun en bemoediging vinden bij elkaar.
 

Gezegend de onzienlijke
gezegend de verborgene
gezegend de levende
dag liefde die dorstig maakt
licht dat ziende maakt.

Gezegend mensen die goed zijn
de hand die niet slaat
de mond die niet verraadt
de vriend die zijn vriend niet verloochent.

Gezegend zij de vrouw voor de man
en de man voor de vrouw
en oud voor jong en sterk voor zwak.

Gezegend is de nieuwe mens voorbij de dood
die in ons zucht en kreunt,
die in ons leeft Jezus Messias.

In die laatste nacht heeft hij inderdaad een teken van zijn liefde tot het uiterste gegeven.
Hij nam brood in zijn handen.
Dankend aanvaardde hij een gegeven man te zijn,
trouw in de liefde,
ook als het lichaam gebroken wordt.
Dan brak hij het brood
en deelde het uit aan zijn vrienden met de woorden:
neem en eet hiervan,
dit is mijn lichaam
dat voor u en voor allen
gebroken en gegeven wordt.

Toen nam hij ook de beker in zijn handen en dankte u
Dankend aanvaardde hij de beker
die Gij hem gegeven hebt
dankend aanvaardde hij
zijn leven te geven voor zijn vrienden.
Dan reikte hij hun de beker met de woorden:
Drink allen hiervan
want dit is de beker van het nieuwe verbond
dit is mijn bloed
dat voor u en voor allen vergoten wordt.
Blijf eten van dit brood en drinken uit deze beker
om mij te gedenken.

 Die zich gegeven heeft,
zich nemen laat,
die wordt gebroken,
uitgedeeld van hand tot hand,
als brood gegeten.

Gezegend wie, door angst gelouterd,
aan de dood voorbij,
leven in licht, opnieuw geboren.

Gezegend de onzienlijke
gezegend de verborgene
gezegend de levende
dag liefde die dorstig maakt
licht dat ziende maakt.

T. Huub Oosterhuis / M. Bernard Huijbers

 

Onze Vader

Vredeswens 

Er komt geen vrede zonder strijdvaardigheid. Er is moed nodig om een ‘kantelaar’ te zijn. Laten we elkaar een klein zetje geven in de richting van het goede. Dat we voor elkaar een lichtpunt mogen zijn op momenten dat het kompas zwijgt. We wensen het elkaar toe: vrede en alle goeds…

Communie

Slotgebed: een bewerking van psalm 139

 

Psalm 139  

Dit is mijn droom:
dat in de mooiste blik
ik mooi kan zijn.

Achter mij, voor mij
rondom mij de blik
die mij zegt
dat ik ben.

Een wonder voor
die ogen, weelde
voor de hand
die op me wil rusten.

Altijd al was ik er,
de mooiste blik
heeft me verlangd
en geweven.

Nooit was vreugde heviger
als toen ik er kwam
als toen ik werd gezocht
en gevonden.

En al ga ik verloren
als woestijnzand
niet meer te tellen,
de mooiste blik

zal mij bewaren
mij altijd weerzien
mij vertellen
aan duizenden geslachten.

(Guido Vanhercke)

Slotlied : Uittochtlied  

Alsof de richting ons werd ingeschapen
gaan wij, de onbegonnen lange weg.
Een harde dienst is van ons afgenomen.
Vrijheid van spreken is ons aangezegd.

Alsof de richting ons werd ingeschapen
gaan wij, de onbegonnen lange weg.
Een harde dienst is van ons afgenomen.
Vrijheid van spreken is ons aangezegd.

Sprekend alleen zullen wij op Hem lijken
die sprak: Het worde licht, Ik zal er zijn.
Nog eeuwen en wij zullen woorden vinden,
nieuwe zonsopgang boven de woestijn.

Er zal een land zijn uit de zee gespaard.
Er zullen mensen zijn, uit ons geboren.
De grond zal nog de grond zijn,
het gezaaide zal sterven
en ontbloeien. Het wordt zomer.

En het wordt winter. En de afgrond daalt
over de aarde, diepe zee van eeuwen
waarin wij weg zijn. En weer zullen slaven,
uit ons geboren om bevrijding schreeuwen.

En weer zullen slaven,
uit ons geboren om bevrijding schreeuwen.

T. Huub Oosterhuis / M. Antoine Oomen

 

 

Banksy
https://www.youtube.com/watch?v=Ki0ayi4RV10