Dominicus Gent
Viering van zondag 28 juni 2026
GROTER DAN ONS HART…
Welkom aan de mensen hier fysiek bij ons, en aan wie online is. Na het Dominicus familiefeest van vorige week, een extra warm welkom op deze ‘laatste zondag’ van de maand juni.
Weer of geen weer we komen bijeen om elkaar te zien, om plannen te smeden en elkaar te bemoedigen, om het leven te vieren en om samen te zingen op de drempel van de zomervakantie. “Ik kan het toch niet laten, ik moet van u zingen zolang ik leef.” Dat doen we vandaag zoals elke zondag onder het licht van de Paaskaars.
En zingen we ons tot gemeenschap met ‘het lied op de drempel’ : Dag mensen welkom hier
rond woord en brood en wijn, wij willen vieren met elkaar geloof en samenzijn.
Het klinkt verbindend: op zovele plekken in de wereld in zovele toonaarden en denominaties wordt het geloof samen beleden. We delen het verlangen naar een wereld waar het goed leven is voor iedereen, waar recht, rechtvaardigheid en gerechtigheid de toon zetten. Maar er blijven ook valse noten klinken, daar kunnen we niet blind of doof voor zijn. Zegenen wij de mens die trouw bleef tot ter dood. Komt allen, zingen wij het lied dat ons verbindt.
Dag mensen welkom hier
rond woord en brood en wijn,
wij willen vieren met elkaar
geloof en samenzijn.
Groeten wij eerst
de Naam die ons geschapen heeft,
dag vader, moeder, levensbron;
dag vraag die ons omgeeft.
Zegenen wij de Mens
die trouw bleef tot ter dood,
dag kwetsbaar beeld van God met ons,
met al wie leeft in nood.
Vlug Adem blaas ons aan,
breek open wie verstart,
dag warme straling, nieuw begin
maak zacht wie is verhard.
Kom allen zingen wij het lied
dat ons verbindt,
dat leven ons is aangezegd,
bemind elk mensenkind.
(Wout Nachtegaele)
Deze gemeenschap is ook een zingende gemeenschap. We zingen deels om uit te drukken wat we niet kunnen zeggen, we zingen omdat het ons samen doet ademen, we zingen omdat het ons tot gemeenschap smeedt.
We kunnen daarbij putten uit een rijke liederenschat, het verzameld liedboek met liederen van Huub Oosterhuis en onze eigen samengestelde map. Maar, u heeft het wellicht ook al gemerkt: bij dat zingen is er wel een probleem: het is namelijk niet eenvoudig om zowel goed en juist te zingen en tegelijkertijd de tekst van het lied helemaal tot je te laten doordringen. In sommige gevallen is dat helemaal niet zo erg, maar evenzo kunnen er zo wel momenten van verdieping verloren gaan.
Daarom hebben we er deze viering voor gekozen om in te gaan, te mediteren, te overwegen bij de tekst van een lied. De keuze was evident niet gemakkelijk.
De verleiding was er zeker om te gaan voor “Om warmte gaan wij een leven” of “Breng licht en warmte aan”, maar het is een ander Oosterhuislied geworden, een oude KUC-evergreen die hier de laatste jaren wel wat minder gezongen wordt.
Het lied “Groter dan ons hart” is een indringend gebed en troostlied dat draait om aanvaarding, om menselijke kwetsbaarheid en wat ons overstijgt.
We zingen telkens een strofe en het refrein en wisselen die af met een korte overweging. Zingen we nu samen de eerste strofe.
Groter dan ons hart (H. Oosterhuis)
Gij die geroepen hebt “licht”
en het licht werd geboren,
en het was goed, het werd avond en morgen,
tot op vandaag –
Gij die geroepen hebt “o mens”
en wij werden geboren,
Gij die mijn leven zo geleid hebt tot hiertoe
dat ik nog leef.
Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart,
die mij hebt gezien eer ik werd geboren.
“Gij die geroepen hebt: licht.”
Elke morgen gebeurt het opnieuw. Niet omdat wij ervoor zorgen. Niet omdat we het verdienen. Het licht is er. Het valt over de stad, over de velden, over de mensen die opstaan met moed en blijheid en over wie de dag zwaar tegemoet gaan. Het vraagt niets. Het is er.
En ook wij zijn er. Niet toevallig. Niet als bezit van onszelf. Wij zijn geroepen tot leven.
Door ouders die ons een naam gaven. Door mensen die ons leerden vertrouwen.
Door vrienden die ons niet loslieten. Door onbekenden die, soms zonder het te weten, licht brachten op onze weg. De levensadem wordt ons ingeblazen of nog zoals Guido het dicht: “de mooiste blik heeft ons verlangd en geweven”.
Als ik terugblik zie ik niet alleen wat ik zelf heb gedaan. Ik zie ook hoeveel leven mij is gegeven. Hoe vaak ik gedragen werd. Hoeveel mensen mij voorgingen. Hoeveel kansen ik kreeg om opnieuw te beginnen. Het stemt tot dankbaarheid.
Dat is niet zeggen dat alles goed was. Dat zou niet waar zijn. Dankbaarheid is zien dat er, dwars door alles heen, leven is gebleven. Dat er telkens weer licht was. Soms klein als een kaars. Soms nauwelijks zichtbaar. Maar voldoende om een volgende stap te zetten.
Misschien is dat de grootste gave: dat mijn leven niet alleen van mij is. Dat ik het mag ontvangen. Vandaag en iedere dag opnieuw. En dat ik, zoals het licht, iets van die ontvangen goedheid mag doorgeven.
Gij die liefde zijt, diep als de zee,
flitsend als weerlicht, sterker dan de dood,
laat niet verloren gaan één mensenkind.
Gij die geen naam vergeet, geen mens veracht –
laat niet de dood die alles scheidt en leeg maakt,
laat niet de tweede dood over ons komen
Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart,
die mij hebt gezien eer ik werd geboren.
Gij die liefde zijt, sterker dan de dood. Laat niet verloren gaan een mensenkind…
Laten wij bidden:
Voor de moeders in Venezuela op zoek naar hun vermiste kind: laat niet verloren gaan één mensenkind.
Voor de kinderen van vluchtelingen alleen voorop gestuurd die hebben gezien en meegemaakt wat geen kind ooit zou mogen zien en meemaken: laat niet de tweede dood over hen komen.
Voor de voogden van niet begeleide minderjarige kinderen: dat zij liefde zijn sterker dan de dood
Voor de kinderen met een beperking die door besparingen plots uren op de bus naar school moesten zitten, terwijl ze meer dan wie ook rust nodig hebben: laat niet de tweede dood over hen komen.
Voor de vereende krachten van protest die het tij voor hen en hun ouders voorlopig konden keren:
Voor de onvermoeibare verzorgers in de bijzonder jeugdzorg: dat hun liefde sterker blijkt dan de dood.
Voor Ilse Derluyn, aan wie net een goot Europees project rond kindermigratie werd toevertrouwd: dat het een bron van Leven mag worden.
Voor allen die gekruisigd worden,
wees niet niemand,
wees hun toekomst ongezien. Voor de arts in Gaza
Voor mensen die van u verlaten zijn,
voor allen die hun lot niet kunnen dragen,
voor hen die weerloos zijn
in de handen van de mensen.
Voor uw naamgenoten in ons midden:
vluchtelingen, vreemden, wees niet niemand –
Voor hen die kracht uitstralen,
liefde geven, recht doen,
dat zij staande blijven in ons midden.
Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart,
die mij hebt gezien eer ik werd geboren.
“Wees niet niemand.” Het is een vreemde uitdrukking. Alsof het ergste wat een mens kan overkomen niet alleen pijn of verlies is, maar dat niemand je nog ziet. Dat je naam verdwijnt. Dat niemand meer vraagt hoe het met je gaat, dat je er eigenlijk niet meer toe doet. “Wees niet niemand.”
Misschien bidden we hier wel tegelijk tot God én tot onszelf: wees niet niemand voor mensen die vandaag gekruisigd worden. Voor vluchtelingen en vreemden.
Daarvoor zijn geen grote heldendaden nodig. Het is soms heel klein: iemand niet voorbijlopen, luisteren zonder haast, een plaats vrijhouden, een naam onthouden.
Zo maken we Gods liefde tastbaar.
Maar de dichter zegt ook “Wees niet niemand” voor mensen die kracht uitstralen, die liefde geven, die recht doen. Zij lijken soms onvermoeibaar, maar ook zij hebben anderen nodig, want ook zij kunnen de moed verliezen.
Luisteren we naar een stukje uit de eerste Johannesbrief, waarin hij schrijft: “Laten wij niet liefhebben met woorden en de mond, maar metterdaad en in waarheid.” Waar mensen elkaar liefhebben in waarheid, daar immers woont God.
Misschien is dat het antwoord op het gebed. Dat God niet “niemand” is, wanneer wij weigeren dat een ander voor ons “niemand” wordt. En dat wij zo, aarzelend en onvolmaakt, bewaren wat ons is toevertrouwd: de liefde die niet bij woorden blijft,
maar een mens overeind helpt.
Eerste brief van Johannes, 3,18-24
Kinderkens, laten wij liefhebben niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid. Hieraan zullen wij onderkennen, dat wij uit de waarheid zijn en voor Hem ons hart overtuigen, dat, indien ons hart (ons) veroordeelt, God meerder is dan ons hart en kennis heeft van alle dingen. Geliefden, als ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid tegenover God, en ontvangen wij van Hem al wat wij bidden, daar wij zijn geboden bewaren en doen wat welgevallig is voor zijn aangezicht. En dit is zijn gebod: dat wij geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkander liefhebben, gelijk Hij ons geboden heeft. En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft.
Gij die, tegen alle schijnbaar noodlot in,
ons vasthoudt,
Gij die vreugde schept in mensen,
Gij die het woord tot ons gesproken hebt
dat onze ziel vervult;
laat ons niet leeg en verloren
en zonder uitzicht, doe ons open gaan
voor het visioen van vrede
dat sinds mensenheugenis ons roept.
Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart,
die mij hebt gezien eer ik werd geboren.
Gij die vreugde schept in mensen, Gij die het woord tot ons gesproken hebt dat onze ziel vervult … doe ons open gaan voor het visioen van vrede.
Hoeveel hoopgevende en doorleefde waarheid klinkt hier niet door. Ondanks alles, tegen alle schijnbaar noodlot in, kan de ontmoeting met `wie vreugde schept in mensen’ onze ziel vervullen en ons doen opengaan voor het visioen van vrede. Ik mocht het deze week nog eens ervaren.
De West-Vlaamse Ellen Moons werd UGent-alumnus van het jaar. Ze werkt ondertussen in Zweden en haalde de krant omdat ze werd aangesteld als secretaris-generaal van het Nobelprijscomité en vanaf nu de Nobelprijzen fysica, chemie en economie zal afroepen. Uit het sofagesprek met haar op onze campus leren we dat zij haar doctoraat heeft gemaakt aan het Weizmann Instituut in Israel (op organische zonnecellen) en toen ook korte tijd op de vlucht moest voor bomaanslagen. In haar bedankingsspeech deze week bracht ze Israel en Gaza vandaag ter sprake en de ruk naar rechts die men ook in Zweden zag gebeuren.
Ze kwam onder de indruk van haar zoon(tje) die gedurende zijn middelbare studies verschillende studentenjobs deed en telkens het geld naar Gaza stuurde naar Ibrahim, een soort `pennenvriend’ die er in een tentenkamp woont. Het gezin van Ibrahim kon soms maandenlang nauwelijks drinkbaar water vinden, of medicijnen, of eten… Nu Ellens zoon hoger onderwijs begint, hebben zij en haar man zijn financieel en verbindend engagement overgenomen. Zij spreekt dagelijks aan de telefoon met Ibrahim en zet de traditie verder om crowdfunding projecten op te starten voor hen en de bredere tentengemeenschap van zo’n 120 gezinnen daar… Zo ook voor Abdullah, 15-jarige neef van Ibrahim, die recent zijn vader verloor en nu zelf moet instaan voor zijn gezin. Tegenwoordig vindt Ellen nog weinig medestanders om die projecten te steunen. Ik sprak haar kort na afloop van de huldigingsceremonie. En vroeg of we geen weg konden zoeken om dit samen te ondersteunen. Temidden van al de lovende aandacht voor haar nieuwe professionele rol, liet ze weten hoe blij deze vraag haar maakte. Ook voor mij was dit veruit de meest blijmakende boodschap van die avond. “Gij die vreugde schept in mensen, Gij die het woord tot ons gesproken hebt dat onze ziel vervult…” Ook de rector was zichtbaar ontroerd hierdoor. Met Ellen hoop ik dat we samen iets kunnen betekenen voor die jonge mensen … en open gaan voor het visioen van vrede.
Verhaast de dag van uw gerechtigheid.
Zie het niet langer aan
dat her en der in deze wereld
mensen gemarteld worden,
kinderen gedood;
dat wij de aarde schenden
en elkaar het licht ontroven.
Zoals een hert reikhalst naar levend water,
doe ons zo verlangen naar de dag
dat wij, nu nog verdeelde mensen,
in uw stad verzameld zijn,
in u verenigd en voltooid,
in u vereeuwigd.
Gedenk uw mensen
dat zij niet vergeefs geboren zijn
Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart,
die mij hebt gezien eer ik werd geboren.
We lezen de berichten. We zien de beelden. Oorlog. Gaza. Soedan. Mensen op de vlucht. Zeeonwaardige bootjes. Kinderen die niet veilig kunnen opgroeien. De aarde die kreunt onder wat wij haar aandoen.
En tegelijk merken we hoe gemakkelijk ook in onszelf het licht kan doven wanneer we de moed verliezen. Door onverschilligheid. Door haast. Door woorden die kwetsen.
Dan klinkt dat oude gebed: “Zie het niet langer aan.”
Niet als een verwijt aan God. Eerder als de diepe roep van mensen die weigeren te geloven dat geweld het laatste woord heeft. Misschien is gerechtigheid geen verre wensdroom.
Misschien begint zij telkens wanneer iemand verontwaardigd weigert mee te doen aan wat een ander klein maakt. Wanneer iemand een hand uitsteekt. Een stem verheft. Wanneer iemand ruimte maakt voor een ander. Het licht niet voor zichzelf houdt.
Zoals een hert verlangt naar levend water, zo verlangen ook wij naar een wereld waarin mensen elkaar niet langer als vreemden of vijanden hoeven te zien. Dat verlangen houdt ons gaande. Niet omdat wij weten hoe die wereld er zal komen. Wel omdat wij niet willen ophouden haar mogelijk te maken.
Misschien is dat juist wat hopen betekent: dat we leven alsof vrede geen droom is, dat we ons laten leiden door het besef dat verzoening en vergeving sterker kunnen zijn dan verdeeldheid, dat we ons geleid weten door de diepe overtuiging dat ieder mens ertoe doet.
Dat wij mensen worden die het licht niet ontnemen, maar doorgeven. En wanneer de moed en de kracht ons soms ontbreekt, moge dan het verlangen blijven. Het verlangen te zien dat geen mens vergeefs geboren is. Dat ieder leven telt. En dat wij ooit thuis zullen komen in een gemeenschap, in een samenleving waar niemand ontbreekt en niemand vergeten wordt.
Tafeldienst
Laten we aan tafel gaan: brood breken en delen, wijn te drinken geven. Dit eenvoudige teken is een kleine daad van verzet in een wereld waar breken en delen steeds meer onder druk komt. Een klein gebaar dat, wanneer we het keer op keer herhalen, onomkeerbaar het onze wordt, bron van waaruit we kunnen leven. Een klein gebaar dat zegt dat we niet vergeefs geboren zijn.
Zoals Jezus zei: “dit brood en deze wijn, dit ben ik helemaal, hierin zit mijn hele leven”. Laat het een teken zijn dat iets laat oplichten van het mysterie van leven voorbij alle vormen van dood. Een teken dat opstanding gebeurt, dat licht doorbreekt, steeds opnieuw.
Hier aan tafel herinneren we ons de mensen die dit jaren met ons samen gedaan hebben, onze lieve doden.
Hier aan tafel willen we solidair zijn met allen die waar ook ter wereld ditzelfde visioen willen vieren.
Slotbezinning
Gezien van nooit af, en nog steeds.
Toen ik nog ik niet was, nog dood,
stond al mijn diepste aangezicht
in jou gegrift.
In jouw geheugen uitvergroot,
bestond ik, tegenover jou –
met afgewende blik, totdat
ik durfde zien.
Duisternis zal haar vleugels uitspreiden
zo wijd zij wil, maar nog
geen glimp van mij zal ooit voor jou
verloren gaan.
Overal in mij ben jij,
als een voorgoed ontvangen kind –
een ongeschapen zee van licht
ben jij in mij.
Windstilte ben je, stoten wind.
De pijn die mijn gedachten wet.
Het woord dat in mij knielt. De naam
die mij doorgist.
(Huub Oosterhuis)
Slotlied
Wij moeten gaan; aan ’t lied van bevrijding
voegden we weer een eigen refrein,
zagen rondom de glans van herkenning
hoe we elkaar tot Verbondgenoot zijn.
Vonden het Woord, eerder gehoord,
als nieuwe bron op eigen terrein.
Laten we gaan. Geloof in de zegen
die onze God steeds toegezegd heeft,
in niemandsland soms worst’lend verkregen
maar die ons hoop, moed en waakzaamheid geeft.
Neem van hier mee, het vaste idee
Licht blijft de kern, vaak tastend beleefd.
Neem bij het gaan de mantel van vrede
die we behoedzaam om mogen slaan
waarin de naam vol kleur is geweven,
vage beschutting in mensenbestaan.
In de woestijn, vruchten en wijn:
Vrede en zegen! Laten we gaan.
(Gonny Luijpers)
