VIERING : DE VRIJHEID VOLGENS JEANNE HERSCH (VROUWEN IN DUISTERE TIJDEN 3)

Dominicus Gent

Viering van zondag 10 mei 2026

DE VRIJHEID & WAARHEID VOLGENS JEANNE HERSCH
(Vrouwen in duistere tijden, 3)

Goedemorgen en welkom aan iedereen hier in deze kerk en aan wie via Zoom met ons meeviert, thuis of waar dan ook.

Voor ieder die het geluk kent moeder te zijn -in de meest ruime betekenis van het woord: van harte een fijne moederdag! Met dankbaarheid denken we vandaag aan de vrouwen die ons het leven schonken…

We zijn hier opnieuw samengekomen om samen te luisteren naar oude verhalen, te bidden, te zingen en brood en wijn te delen zoals Jezus ons dat heeft voorgedaan.

Maar eerst willen we dit samenzijn stellen onder de aanwezigheid van de Ene.
We steken de Paaskaars aan en we bidden:

Bidden wij om aanwezigheid van de Ene in dit uur en in alle uren,
Bidden wij dat dit licht ons op onze zoektocht mag leiden
Bidden wij om inzicht dat ons met nieuwe ogen doet kijken en uitzicht brengt,
Bidden we om zachtheid en een open geest
Bidden we dat de waarheid ons mag bevrijden
Bidden we dat dit licht het vuur van de hoop in ons brandend mag houden
Bidden we dat dit samenzijn gezegend moge zijn

Waar is de plaats die vrede lacht, de plek waar vrijheid heerst, zingen we deze viering open.

 

LIED

Waar wordt aan mensen recht verschaft?
Waar is de God die leven geeft?
In elke mens die liefde deelt.

Ik zoek de plek waar vrijheid heerst,
waar elke mens van angst geneest,
ik zoek de God die armen heelt,
in elke mens die liefde deelt.

Ik zoek het land dat vreugde heet,
vrij van geweld en oorlogsleed,
ik zoek de stad waar God regeert,
in elke mens die liefde deelt.

Hier is de plaats waar vrede lacht,
hier wordt aan mensen recht verschaft,
hier is de God die leven geeft,
in elke mens die liefde deelt.

(T. Berre van Thielt)

 

Nadat we in de voorbije vieringen ons lieten inspireren door de moed van Rosa Luxemburg en de betrokkenheid van Martha Gelhorn, leggen we vandaag ons oor te luisteren bij de filosofe Jeanne Hersch. Niet meteen een naam die een belletje doet rinkelen. Jeanne Hersch is in 2000 op 90-jarige leeftijd overleden na een lange gedegen academische carrière die internationaal veel erkenning genoot.
Haar leven oogt in vergelijking met de meeste vrouwen in het boek van Alicja Gescinska weinig spectaculair. Daardoor is ze vandaag wellicht weinig bekend. Maar dat doet niets af van de scherpte en de actualiteit van haar denken én leven.

Jeanne Hersch groeide op in Zürich maar ging in Duitsland filosofie studeren bij Karl Jaspers en Martin Heidegger. Als joodse vrouw was ze in Zwitserland veilig toch wou ze in de vooroorlogse jaren in Duitsland zelf aan den lijve ondervinden wat er aan de hand was. Hoe het land alsmaar verder weggleed in de richting van bloedig fanatisme. Ze wilde ‘weten’.
Dat willen ‘weten’ bracht haar bij de filosofie en tezelfdertijd bij het aanwezig zijn in de tijd om te doorgronden wat er gebeurt in de publieke ruimte. Haar studie is meteen ook haar engagement, haar betrokkenheid op wat mensen beweegt.
Op haar 23ste studeert ze af aan de Sorbonne in Parijs en gaat in Genève lesgeven aan de ’Ecole internationale’ voor een eerder elitaire groep jongeren. Maar omdat ze intellectuele emancipatie als haar kerntaak beschouwt geeft ze eveneens les aan arbeiders binnen de syndicalistenbeweging. In 1956 wordt ze de eerste vrouwelijke professor in de wijsbegeerte aan de universiteit van Genève.

Later werkt ze enige tijd voor de UNESCO. Ze verricht daar heel bijzonder werk met betrekking tot de Universele Verklaring voor de Rechten van de mens. Die verklaring van 1948 werd aangevochten omdat ze in hoofdzaak een westers project zou zijn en een projectie van westerse waarden op de hele wereld. Omdat dus de Verklaring in die zin niet universeel zou zijn. Jeanne Hersch deelt die kritiek niet en stelt zich tot taak om vanuit alle hoeken van de wereld teksten te verzamelen waarin op een of andere wijze gealludeerd wordt op de universele rechten van de mens. Haar onderzoek bundelt zij in een lijvig boek ‘The Birthright of Man’ waarin ze de meest diverse fragmenten uit heel veel culturen verzamelt. Zowel Afrikaanse gezegden als inscripties op Egyptische grafstenen om zo een soort geslachtslijst, geschiedenis van de universele rechten van de mens te construeren.

Voor Hersch is de essentie van de filosofie: vrijheid. De kerntaak van het denken is voor haar de reflectie over vrijheid en de reflectie in vrijheid en voor vrijheid. Dat denken betrekt ze op alle domeinen van haar werk: op pedagogie, politieke filosofie, sociaal engagement, esthetica enz…. Vrijheid is de spil waarrond alles draait.
Het doel van het denken is de vaagheid te bestrijden, de meningen die we zonder nadenken aannemen omdat iedereen die blijkbaar deelt, de illusies, de leugens, dat alles door middel van de grootst mogelijke helderheid onderuithalen. Dat is niet enkel een theoretisch ideaal. Heldere gedachten beschermen ons tegen duistere figuren. Helder denken is van belang in het zoeken naar waarheid en als hoeder van vrijheid. Waarheid bevrijdt, leugen beknot.

Ook al zijn er voortdurend externe beperkingen en zeker ook interne, toch zijn we als mens in staat tot vrijheid. Precies door die zoektocht naar waarheid. Vrijheid is geen individualistisch levensideaal maar een iets wat we samen moeten en kunnen verwezenlijken. Vrij zijn we met en voor elkaar en niet naast of ten koste van elkaar.

Hersch geloofde hartstochtelijk in de sociale democratie. Voor Hersch was politiek engagement een noodzaak. Politiek moet het kwaad dat eigen is aan de mens, zien in te tomen. Zij zag het als een morele plicht om zich politiek te engageren en deed dit ook in partijverband. Vrijheid is altijd verantwoordelijkheid.
De democratie is een samenlevingsmodel dat het beste instrument is om sociale rechtvaardigheid te verwezenlijken en de mensenrechten te beschermen. In het bijzonder de bescherming van de menselijke waardigheid en van de persoonlijke vrijheid. Het is een systeem van noodzakelijke beperkingen om onze vrijheden op elkaar af te stemmen. Democratie is nooit perfect. Het is voortdurend een evenwichtsoefening om elkaars vrijheden in balans te krijgen. Hersch meent dat men geen tolerante houding mag aannemen ten opzichte van opinies die onverdraagzaam zijn. Teveel beknotting smoort de democratische vrijheid, te weinig beknotting evenzeer. Er is geen wonderformule om die afweging te maken. En ze moet voortdurend gemaakt worden. Dit alles lijkt mij bijzonder relevant en ook actueel.

Ik geef enkele voorbeelden.
In de covidperiode werden de vragen rond individuele vrijheid en keuze versus regelgeving met betrekking tot de volksgezondheid zeer scherp gesteld. Denk maar aan de succesvolle vaccinatiecampagnes maar ook aan de isolatie van zieke of bejaarde mensen. Een moeizame evenwichtsoefening die altijd grondig geëvalueerd dient te worden.
Maar ook in hoeverre mogen media een forum bieden aan racistische of seksistische opinies? In welke mate dragen ze door deze zogenaamde neutrale en onpartijdige journalistieke positie bij tot de normalisering van hatelijke en vernederende taal en miskenning van fundamentele mensenrechten? In hoeverre kan de idee van academische vrijheid gebruikt worden om dergelijke opvattingen plaats te bieden aan onze universiteiten?
Gaan we kritisch na op welke wijze onder het mom van vrije meningsuiting een taal getolereerd wordt die mensen ‘ontmenselijkt’?

Een diepe overtuiging van Jeanne Hersch is dat vrijheid nooit verworven is maar voortdurend aan bevrijding gewerkt dient te worden. ’Men is niet mens omdat men geboren is; men kan enkel hopen mens te worden’. Daartoe zingen we het lied: Kom in mijn klein bestaan.

Kom in mijn klein bestaan, ga niet mijn deur voorbij.
Breng licht en warmte aan, maak mij van doodsangst vrij.
Ontdooi mijn binnenkant, mijn ingevroren geest
en schep een nieuw verband, zodat mijn ziel geneest.

Kom in mijn kleine droom, verbreed mijn horizon,
dat ik niet langer schroom te zien naar mensen om.
Genees mijn angst voor pijn, mijn vrees voor zelfverlies,
zodat ik mens kan zijn en voor de minsten kies.

Kom in mijn klein geloof, vernieuw mijn fantasie,
dat ik uw toekomst loof, steeds nieuwe kansen zie,
zodat ik verder leef voor vrede mettertijd
en mij uit handen geef om uw gerechtigheid.
(T. Jan van Opbergen)

 

Evangelie: Johannes 8, 1-11
Jezus ging naar de Olijfberg, en vroeg in de morgen was Hij weer in de tempel. Het hele volk kwam naar Hem toe, Hij ging zitten en gaf hun onderricht. Toen brachten de schriftgeleerden en de farizeeën een vrouw bij Hem die op overspel betrapt was. Ze zetten haar in het midden en zeiden tegen Jezus: ‘Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt toen ze overspel pleegde. Mozes draagt ons in de wet op zulke vrouwen te stenigen. Wat vindt U daarvan?’ Dit zeiden ze om Hem op de proef te stellen, om te zien of ze Hem konden aanklagen. Jezus bukte zich en schreef met zijn vinger op de grond. Toen ze bleven aandringen, richtte Hij zich op en zei: ‘Wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een steen naar haar werpen.’ Hij bukte zich weer en schreef op de grond. Toen ze dat hoorden gingen ze weg, een voor een, de oudsten het eerst, en ze lieten Hem alleen, met de vrouw die in het midden stond. Jezus richtte zich op en vroeg haar: ‘Waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld?’ ‘Niemand, Heer,’ zei ze. ‘Ik veroordeel u ook niet,’ zei Jezus. ‘Ga naar huis, en zondig vanaf nu niet meer.’

 

We kennen dit evangelieverhaal bijna té goed. Een vrouw, betrapt op overspel, de mannen met stenen in hun handen. En Jezus die iets schrijft in het zand. We weten ook al lang hoe het afloopt. Niemand gooit. Niemand dood. Iedereen gaat weg. Einde goed, alles goed.

Misschien is dat toch iets te makkelijk, want dit verhaal gaat in essentie over waarheid en vrijheid.
We krijgen een soort rechtbank-tafereel voorgeschoteld, maar dan één zonder rechterstoel.

De beschuldigde: een vrouw die betrapt was op overspel en dus volgens de toenmalige joodse wet moest gedood worden door steniging. Voor degenen onder u die nu wat ongemakkelijk beginnen te draaien op hun stoel: ook de overspelige mannen ondergingen trouwens dit lot, maar dit terzijde.
Naast de vrouw hebben we “de maatschappij”, het volk en de behoeders van de wet, zij willen actie, een oordeel forceren, de wet laten gelden.

Tot zover is ons rechtbank-tafereel duidelijk, maar het verhaal lijkt ons nog een tweede gevangene, misschien zelfs beschuldigde te tonen. Dat is Jezus die men in het nauw probeert te drijven door hem een onmogelijk dilemma voor te schotelen: als hij toegeeft en de vrouw laat stenigen, dan verloochent hij zijn eigen spreken en handelen, vervalt hij in hypocrisie: luister naar mijn woorden, maar kijk niet naar mijn daden. Als hij zich echter verzet, plaatst hij zich buiten de gevestigde orde en krijgen de behoeders van de wet een perfecte aanleiding om hem als staatsgevaarlijk te veroordelen.
Het volk is al rechter en heeft al geoordeeld en nu probeert men ook Jezus in die rol te dwingen.
Jezus doet iets onverwachts: hij bukt zich en schrijft met zijn vinger op de grond. Het zou een verwijzing kunnen zijn naar een vers uit Jeremia: “Heer, wie u verlaten, zullen te schande staan, wie van U weggaan, zullen in het stof worden geschreven, want ze hebben de Heer, bron van levend water, verlaten.”

Het is in alle geval een moment waarin de stroom van de gebeurtenissen onderbroken wordt. Jeanne Hersch beschrijft dat echte vrijheid vaak verschijnt in zo’n moment van onderbreking, wanneer de automatische stroom stopt. Zonder die stilte zou er geen vrijheid geweest zijn, alleen de mechanische uitvoering van een systeem.
Hier gebeurt de ommekeer, nog voor Jezus zijn woorden uitspreekt: de pauze, het schrijven van de namen, zoals we Jeremia lezen, werpt iedereen terug op zichzelf. Plots staat de zonde van de vrouw niet meer centraal, maar de onvrijheid van de omstaanders. Niet langer: “Wat heeft zij gedaan”, maar “Wie ben jij, die oordeelt”.
“Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen” dwingt iedereen terug naar zichzelf. Plots kan niemand nog anoniem deelnemen aan het geweld. Eenieder wordt losgemaakt van de groep en wordt een individu dat moet kiezen.

Helemaal wat Hersch stelt: je kan je niet zomaar verbergen achter “men zegt”, “de regels zeggen” of “de anderen doen het ook”. Je bent geroepen tot vrijheid en dat is niet abstract of vrijblijvend: vrijheid bestaat juist in het concrete moment waarin je moet kiezen en verantwoordelijkheid nemen voor die keuze. Echte vrijheid is kwetsbaar en kan je niet uitbesteden aan regels of systemen.
In het verhaal wordt iedereen plots zijn eigen rechter en precies daar ontstaat voor ieder van hen vrijheid en dus ook verantwoordelijkheid. De wet wordt niet afgeschaft, maar iedere omstaander wordt teruggeroepen uit zijn schuilplaats achter de wet naar de gevaarlijke maar echte ruimte van vrijheid.

Dit verhaal gaat niet alleen over vrijheid, maar evenzeer over waarheid. Enige verzen verder in dit evangelie zegt Jezus tot de joden die zich bekeerden: “U zult de waarheid kennen en de waarheid zal u bevrijden”.
In ons verhaal denken de omstanders dat ze “de waarheid” al bezitten: de wet is duidelijk, de schuld staat vast. Jezus ontmaskert dat als een halve waarheid – een waarheid zonder zelfkennis. Hij maakt dat nieuwe waarheid kan gebeuren. Ook voor Hersch is waarheid niet iets wat je bezit zoals een ding, een eigenschap, waarheid is iets wat tot jou spreekt, jou oproept, je voor een keuze plaatst. Ze heeft een morele dimensie: echte waarheid plaatst je in een situatie die niet vrijblijvend maar misschien wel vrijmakend is. In ons verhaal is die waarheid niet alleen de juridische (een vrouw pleegt overspel), maar ook een existentiële: ik ben zelf niet zonder zonde. Die tweede waarheid is ongemakkelijk, maar juist die maakt vrijheid mogelijk omdat ze de illusie doorbreekt dat je zelf buiten schot kan blijven. Waarheid die bevrijdt is niet die waarmee je de ander vastzet, maar één die jou zelf ontmaskert. Het is die waarheid die je bevrijdt van het eigen gelijk, van de drang om te oordelen, van de veiligheid van de groep, van het zich verschuilen achter regels, van het zelfbedrog. Alleen de waarheid die ons raakt tot in onszelf, kan ons vrijmaken, daar waar ze raakt aan verantwoordelijkheid.

De mensen druipen één voor één af – waar ze hoopten te triomferen, worden ze een spiegel voorgehouden, ze worden ontmaskerd en krijgen zo een kans op vrijheid.

Ook de beschuldigde vrouw wordt in de waarheid geplaatst. Jezus veroordeelt de vrouw niet maar zegt haar ook niet: “het maakt niet uit wat je gedaan hebt”. Neen, er klinkt “Ga en zondig niet meer”. Zij is niet meer het onderwerp van een veroordeling, maar wel dat van haar eigen verantwoordelijkheid. Misschien is dat wel de diepste vrijheid: niet dat alles zomaar mag, maar dat je opnieuw kan kiezen. Of zoals de met Hersch bevriende Poolse dichter Milosz het schreef: “het verleden is niet gesloten, het ontvangt zijn betekenis van onze latere daden.”

De stoel van de rechter lijkt leeg gebleven, tot we merken dat we er zelf op zitten, niet om onszelf of een ander te veroordelen, maar om niet langer te kunnen oordelen zonder onszelf mee te nemen. Precies daar begint vrijheid: waar waarheid niet langer een wapen is, maar een ontmoeting, een aanraking; vrijheid begint daar waar we de stenen neerleggen, niet omdat ze verboden zijn, maar omdat we onszelf toestaan los te laten wat ons verhardt.
Dat die geest van vrijheid in elk van ons werkzaam mag zijn, bidden we dat met het lied “Adem in mij”,

 

LIED

Gij adem van vrijheid adem in mij
en in heel de wereld.
Gij stroom van leven stroom in mij
en in heel de wereld.
Gij flits van een nieuwe wereld licht op in mij
en in heel de wereld.
Gij donder van gerechtigheid dreun in mij
en in heel de wereld.
Gij levend in geweldloosheid leef in mij
en in heel de wereld.
Gij roos van vrede bloei in mij
en in heel de wereld.
Gij frisse wind waai in mij
en in heel de wereld.
Gij goddelijke aandrang doordring mij
en de hele wereld.
(Anton Rotzetter)

 

Tafeldienst

We worden uitgenodigd aan tafel. Op vraag van Jezus: doe dit om mij te herinneren.
Welbeschouwd toch een heel eenvoudig, bijna banaal dagelijks gebeuren waarin hij vraagt herinnerd te worden. Of niet?
Wordt in de eenvoudige gebaren van breken en delen niet onze diepste waarheid openbaar?
Dat God zich aan ons geeft en wij elkaar gegeven zijn als voedsel ten leven.
Dat wie zich op deze waarheid richt, leeft, ook al is hij gestorven.

We steken de kaarsjes aan voor de overledenen die ons zijn voorgegaan in dit geloof.
We steken het kaarsje van de solidariteit aan met allen die op dit moment dit vertrouwen vieren.
In het spoor van Jezus, Mens geworden, vrij en bevrijdend, door zich niet aan de gestalten van de wereld te onderwerpen maar beeld en gelijkenis te worden van Hem die leeft en liefde is.

Beeld en gelijkenis
van Hem die leeft,
een mensenzoon
heeft hij geen macht begeerd,
geen aanzien, als een god,
en heeft zich niet
aan de gestalte dezer wereld onderworpen.

Heeft niet, roofzuchtig,
voor zichzelf geleefd,
maar zich ontdaan van zijn bezit.
En is de weg gegaan die langs de zelfkant voert,
het duister in.
En is niet halverwege omgekeerd,
maar heel de weg gegaan.

Is op de slavenmarkt gaan staan,
om als de minste mens verkocht te worden
en werd zo één van hen
die mensonwaardig zijn.
Werd niemand met wie niemand zijn.
En wie hem zien keren zich van hem af.

En trok het lijden aan
en droeg het als een lam
en stond stom voor zijn scheerders
en werd gehangen als een slaaf.

Zo is hij mens geworden, een gerechte;
beeld en gelijkenis van Hem die leeft
en liefde is. Hem noemen wij:
heer, mensenzoon van God,
leidsman en lotgenoot, Jezus Messias.
(T. Huub Oosterhuis)

 

De avond voor hij ter dood werd gebracht zat hij samen met zijn vrienden en vatte zijn leven samen in enkele eenvoudige woorden en gebaren.
Hij nam een stuk brood en dankte ervoor
Hij brak het brood deelde het uit met de woorden:
Neemt en eet dit is mijn lichaam
Gegeven voor u, doe dit tot mijn gedachtenis

Toen nam hij ook een beker met wijn en dankte ervoor
En hij gaf de beker rond
Neemt en drinkt, dit is mijn bloed
Mijn leven, gegeven voor u
Als ge uit deze beker drinkt, denk dan aan mij

 

Onze Vader

Vredeswens

Jezus heeft zijn vrienden de vrede toegewenst. Vrede kan ontstaan wanneer mensen op zoek gaan naar waarheid en zich erdoor laat aanraken, dan kan de vrijheid groeien om ieder mens onbevooroordeeld en ongedwongen, als broeder, zuster, vader en moeder te zien, beeld van de Ene. Wensen wij elkaar de vrede.

 

Wat ik heb geleerd van Jeanne Hersch? (Gedicht van Czeslaw Milosz)

1. Dat de rede een groot geschenk van God is en dat men moet geloven in zijn vermogen om de wereld te leren kennen.
2. Dat zij die het vertrouwen in het verstand wilden ondermijnen en opsomden waarvan het afhankelijk was – klassenstrijd, libido, machtswil – zich vergisten.
3. Dat we ons bewust moeten zijn van onze opsluiting in de kring van de eigen ervaring, echter niet om de werkelijkheid te reduceren tot de dromen en drogbeelden van onze geest.
4. Dat liefde voor de waarheid een bewijs van vrijheid is, en dat onvrijheid aan de leugen is te herkennen.
5. Dat respect de juiste houding tegenover het bestaan is en we daarom het gezelschap moeten mijden van personen die met hun sarcasme het bestaan verlagen en het niets aanprijzen.
6. Dat, zelfs al beschuldigt men ons van arrogantie, in het leven van de geest het beginsel van een strikte hiërarchie verplicht.
7. Dat de verslaving van de intellectuelen van de twintigste eeuw “baratin” was, ofwel: onverantwoord gekwebbel.
8. Dat in de hiërarchie van de menselijke activiteiten de kunst hoger staat dan de filosofie, maar dat een slechte filosofie de kunst kan bederven.
9. Dat de objectieve waarheid bestaat, ofwel dat van twee tegenstrijdige beweringen de ene waar is en de andere onwaar, met uitzonderling van heel bepaalde gevallen waarin het handhaven van de tegenstrijdigheid gewettigd is.
10.Dat we onafhankelijk van het lot van de geloofsovertuigingen, het ‘filosofisch geloof’ moeten bewaren, ofwel het geloof in de transcendentie als wezenskenmerk van ons menszijn.
11. Dat de tijd alleen die werken van onze handen en geest uitsluit en tot vergetelheid doemt, die onbruikbaar blijken bij het optrekken, eeuw voor eeuw, van het grote gebouw van de beschaving.
12. Dat we ons in ons eigen leven niet aan wanhoop mogen overgeven als gevolg van fouten en zonden, aangezien het verleden niet gesloten is en het zijn betekenis ontvangt van onze latere daden.

 

Slotlied

Uit staat en stand en wijsheid losgewoeld.
Omgewaaid. Ontwortelde plataan.
Toen heeft hij licht onder zijn schors gevoeld,
een vlaag van knoppen die op springen staan.

Uit jij en jou en woorden weggevlucht.
Ergens heen gejaagd. Boomgrens voorbij.
Op adem komen in de dunne lucht,
je eigen hartslag horen. Vogelvrij.

Uit eigen aard en huid naar iemand toe,
onontkoombaar. En niet wonen meer
tot ik Hem, Hij mij vinden zal, en hoe –
een zee van dromen gaat in mij tekeer.
(T. Huub Oosterhuis)