Identiteit (4): Mens, wie ben je? Mens, waar is je broer?

Dominicus Gent

Viering van zondag 15 november 2020

Mens, wie ben je? Mens, waar is je broer?

(Identiteit, 4, online)

 

Goede morgen
en welgekomen in deze vierde viering rond identiteit.
We willen meditatief stilstaan bij een aantal teksten uit de Bijbel
die ons daarbij kunnen inspireren.
We steken de kaars aan om het Licht aanwezig te vragen:

Ondoorgrondelijk Mysterie,

elke dag biedt ons kansen
om ons zelf te ontmoeten in de andere
en zo te worden wie we zijn.
We staan hier niet altijd bij stil
en als het wel zo is voelen we vaak schaamte of schuld
omdat we niet zo moedig of warmhartig zijn als Jij ons voorleeft.
Verwarm en verlicht ons hart om helder te zien
en om ons door Jou bemind te voelen
in het leven dat we mogen gaan.

 

Het verband gaat vooraf aan wie ik ben…

In zijn recente lezing over Identiteit zei Ignace: ’Wie ik ben is een wordingsgeschiedenis. Elkeen heeft een geschiedenis die maakt dat zij is wie zij is. Maar die gedachte impliceert een groeiperspectief dat ook aantrekkelijk is. Ze legt een ruimte open die voor mij ligt. Die ruimte suggereert dat er toekomst is en dat we vele wegen uit kunnen. Ze geeft een gevoel van vrijheid waarin zelf kunnen kiezen. Er zit beweging in, een dynamiek die zegt dat verandering mogelijk is. Dat is erg aantrekkelijk en in nogal wat situaties ook bijzonder hoopvol.

Tezelfdertijd lijken we graag vast te houden aan de idee van een onvervreemdbare kern, zoiets als een vaste eigenheid die ons uniek maakt en vragen we ons soms af: wat zou ik geworden zijn, indien…. ik daar geboren was;  indien ik die persoon niet ontmoet had, indien ik mijn studies wel verder gezet had, indien ik die job niet aanvaard had,  dat ongeval niet was tegenkomen, in een andere tijd geleefd had, enz … Het zijn overwegingen die ons over onszelf laten denken als over een ‘ik’. Een ‘ik’ dat weliswaar gemodelleerd wordt doorheen omstandigheden. Dat in ongunstige omstandigheden helemaal gekraakt of onherstelbaar gekwetst kan worden, en in goede omstandigheden helemaal kan openbloeien. Maar in positieve of negatieve zin, zou er dan toch een min of meer vaste kern binnenin elke persoon zitten. Heel wat uitspraken in ons dagelijks taalgebruik verwijzen daarnaar. Wanneer we zeggen dat iemand een ruwe diamant is, of een rotte appel, of uitzonderlijk getalenteerd, of….

Allemaal gaan we als puber, als adolescent -en voor sommigen duurt die adolescentie heel lang- op zoek naar wat ons tot ‘ik’ maakt. Naar wat mij onderscheidt van anderen. En heel vaak hangt dat ook nauw samen met de zoektocht naar onze rol, onze bestemming in dit leven. De angst daar geen bevredigend antwoord op te vinden, de angst dat geen vorm te kunnen geven, of dat kwijt te spelen, die angst is in onze westerse samenleving heel groot en werkt vaak zeer verlammend. Hoe kijkt de bijbels-christelijke traditie naar dit soort vraagstelling? We blijven hierbij stilstaan in dit uur van samenzijn.

 

Lied van de stem

Stem als een zee van mensen om mij door mij heen

Stem van die drenkeling, van dat stuk wrakhout,

dat een mens blijkt als hij mij aankijkt.

Stem die mij roept: wie ben je, mens waar is je broer?

Stem die mijn vliezen breekt en mij bevrijdt, die

vuur uit steen slaat, jij die mij ik maakt.

Stem die geen naam heeft, nog niet, mensen zonder stem.

Stem als een specht die klopt aan mijn gehoorbeen.

Woord dat aanhoudt. God die mij vasthoudt.

 

Het lied van de stem toont mij mezelf als iemand die ‘hoort’. Iemand die kan horen. Stemmen van heel veel mensen, een zee van mensen, moeders, vaders, leraren, vrienden, maar ook vele onbekenden, onbeminden, stemmen die woorden spreken die mij bereiken,  woorden die lang kunnen bij blijven, die mij iets doen, die met mij iets doen. Stemmen die ik niet herken, die ik misschien niet wil horen totdat ik het toesta dat iemand mij aankijkt.

En dan klinkt – wie weet vanuit welke onvatbare diepte binnenin of ongekende vreemde ruimte buiten? – de stem die vraagt: waar is je broer?  Het lied verbindt de vraag naar : wie ben je? meteen met de vraag:  mens, waar is je broer? Beide vragen plaatsen elke mens meteen in een verband, in een verwantschap. Een verband dat samengaat, misschien wel voorafgaat aan wie ik ben. Die relatie en de consequenties van dat fundamentele verband zijn de allereerste omschrijving van wie ik ben. En de vraag: mens, waar is je broer?, nodigt mij uit te antwoorden. In die vraag ligt mijn bestemming. Het tweede vers spreekt van de bevrijding die gebeurt in het horen en het doordrongen worden van die stem. Ik word erdoor geopend zoals vuur uit steen geslagen. Vuur, begin en voorwaarde tot beschaving: vuur, ooit uit stenen geslagen. Mensen geopend voor mekaar, voorwaarde en begin van elk samenleven.  Ik word geopend, de stem van iemand anders kan tot mij doordringen, daarin word ik,  precies ‘ik’ gemaakt. Die uitnodiging krijg ik levenslang, soms tot vervelens toe als een specht die blijft kloppen aan mijn gehoorbeen en onophoudelijk vraagt toegelaten te worden. Toch is het ook die stem, die roep die mij blijft vasthouden wanneer ik in eenzame wanhoop weer eens verloren loop.

 

Psalm 139  Vertaling Huub Oosterhuis

 Gij peilt mijn hart, Gij doorgrondt mij.

Gij weet mijn gaan en mijn staan.

Gij kent mijn gedachten van verre,

Mijn reizen en trekken, mijn rusten.

Mijn wegen, alle, zijn U bekend –

ieder woord dat komt op mijn lippen,

Onuitgesproken nog, Gij hoort het al.

Achter mij zijt Gij en voor mij uit.

Gij legt uw handen op mij.

Dit is wat ik niet kan begrijpen,

Niet denken, dit gaat mij te boven.

Hoe zou ik uw adem ontkomen,

Waarheen vluchten voor uw aangezicht.

Beklim ik de hemel, daar zijt Gij,

Daal ik af in de aarde, daar vind ik U ook.

Had ik vleugels van morgenrood,

Vloog ik over de verste zeeën,

Ook daar Gij, uw hand,

Uw  rechterhand die mij vasthoudt.

Zou ik roepen: ‘Duisternis, bedek mij,

Licht, verander in nacht’ –

Voor U bestaat de duisternis niet.

Voor U is de nacht even licht als de dag,

De duisternis even stralend als het licht.

Uw schepping ben ik in hart en nieren,

Gij hebt mij geweven in de schoot van mijn moeder.

Ik wil U bedanken daarvoor,

Dat Gij mij ontzagwekkend  gemaakt hebt.

Mijn ziel en gebeente door U gekend,

in mij was niets voor uw ogen verborgen

Toen ik werd gevormd in het diepste geheim,

prachtig gevlochten in de schoot van de aarde.

Ik was nog ongeboren, Gij had mij al gezien

en al mijn levensdagen stonden in uw boek

Nog vóór Gij er één had gemaakt.

Gij, Eeuwige, peil nu mijn hart, doorgrond mij,

Toets mijn verborgen gedachten.

Ik ben toch niet op en doodlopende weg?

Leid mij voort op de weg van uw dagen.

 

Luisterlied

Huub Oosterhuis, gezongen door Trijntje Oosterhuis

Ken je mij?

Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ken je mij? Wie ben ik dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ogen die door de zon heen kijken

Zoekend naar de plek waar ik woon

Ben jij beeldspraak voor iemand

die aardig is, of onmetelijk ver,

die niet staat en niet valt

en niet voelt als ik,

niet koud en hooghartig

Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ken je mij? Wie ben ik dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Hier is de plek waar ik woon

Een stoel op het water,

Een raam waarlangs het opklarend weer

Of het vallende duister voorbij vaart

Heb je geroepen? Hier ben ik

Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ken je mij? Wie ben ik dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ik zou een woord willen spreken

Dat waar en van mij is

Dat draagt wie ik ben,

dat het houdt,

Ik zou een woord willen spreken

Dat rechtop staat als mens die mij aankijkt en zegt

Ik ben jouw zuiverste zelf,

Vrees niet, versta mij, ik ben, ik ben

Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ken je mij? Wie ben ik dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ben jij de enige voor wiens ogen

Niet is verborgen van mijn naaktheid

Kan jij het hebben,

Als niemand anders,

Dat ik geen licht geef, niet warm ben,

Dat ik niet mooi ben, niet veel

Dat geen bron ontspringt

in mijn diepte

Dat ik alleen dit gezicht heb,

geen ander.

Ben ik door jou, zonder schaamte,

gezien, genomen,

door niemand minder?

Zou dat niet veel teveel waar zijn?

Zou dat niet veel teveel waar zijn?

Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ken je mij? Wie ben ik dan?

Weet jij mij beter dan ik?

 

 

Over groepsidentiteit

Het verband, de relatie gaat vooraf aan wie ik ben. Hoe breed denken we die verbanden? Geldt dat enkel voor de bloedverwanten, de familie, de clan, de stam, de taalgroep? Al heel vroeg in de Joodse traditie zijn er stemmen die in de richting van een wereldomvattend verband wijzen. Ze vertolken een visioen van universele vrede en broederschap tussen de vele volken. We beluisteren hoe Jesaja die droom die tot op vandaag doorwerkt, beschrijft.

 

Jesaja 2, 2-5

Het einde der dagen zal het gebeuren,

dat de berg van het huis van Jahwe vast zal staan

als de eerste der bergen,

verheven boven de heuvels;

en alle volken stromen naar hem toe, 

naties gaan op weg en zeggen:

`Komt, laat ons gaan naar de berg van Jahwe,

naar het huis van Jakobs God:

dan zal Hij ons zijn wegen wijzen,

en wij zullen zijn paden bewandelen.

Ja, uit Sion komt Gods onderricht,

uit Jeruzalem het woord van Jahwe.’ 

Hij zal recht doen tussen de vele volken,

en machtige naties tuchtigen.

Dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen

en hun speerpunten tot sikkels.

Geen volk heft het zwaard meer tegen een ander

en de oorlog leren ze niet meer. 

Huis van Jakob, komt,

laat ons wandelen in het licht van Jahwe.

 

Inleiding op fragment uit brief aan de Korintiërs

Jezus was geen wereldhervormer en al zeker geen politicus. Met zijn leven en zijn boodschap over het Rijk Gods staat hij wel helemaal in de Joodse traditie die altijd al het meest intieme  en spiritueel religieuze verbindt aan het economische maatschappelijke. Dat hebben zijn tijdgenoten heel goed begrepen. Voor velen was de manier waarop hij al degenen die in het samenleven uit de boot vielen opnieuw in een leefverband bracht, een fantastisch weldoende ervaring. Anderen zagen dit optreden als een bedreiging voor hun privileges en hun posities. Hij was geen politicus maar zijn opstelling was voldoende politiek om door een coalitie van politieke, militaire en religieuze machten gedood te worden. Zijn leerlingen getuigen dat, in weerwil van zijn dood, hij niet uit zijn levengevend verband viel. Zij getuigen hoe Hij hen in diepe verslagenheid tegemoet kwam en gemeenschap bleef stichten, over de grenzen van de dood heen. Paulus heeft Jezus niet gekend maar wel heel goed begrepen en zijn werk op een geniale manier voortgezet.  Wanneer we nu luisteren naar een fragment uit een brief aan de gemeente van Korinte, moeten we misschien ook voor ogen houden dat Paulus, een diep gelovige wetsgetrouwe Jood was die zijn hele leven afstemde op het doen van Thora en in de weg van Jezus een weg zag die de rijke traditie van het joodse volk opende voor alle volken en de valkuil van apartheid en segregatie oversteeg.

 

1Korintiërs 9, 20-23

Bij de Joden leef ik als Jood om de Joden te winnen. Met hen die onder de wet staan, leef ik als aan de wet onderworpen – hoewel zelf niet gebonden aan de wet – om hen die onder de wet staan te winnen. Met de wettelozen ben ik als een wetteloze – hoewel niet zonder wet van God en onderworpen aan de wet van Christus – om wettelozen te winnen. Met de zwakken ben ik zwak geworden om de zwakken te winnen. Ik ben alles wat je maar wilt om in elk geval een paar mensen te redden. En ik doe alles voor het evangelie om er ook zelf deel aan te krijgen.

 

                                                                                                                                                                                                              Lied

Wij zullen, Jood en Griek, zijn lichaam worden, zijn uitstralende kracht in deze wereld,

als wij de woorden doen van de Thora die Jezus heeft gedaan en doorgegeven.

Zijn geest is het die ons tezamen voegt, en liefde die ons maakt tot zijn gemeente.

Deemoed geduld ontferming vonken geest- waar mensen afgekeerd zijn van geweld,

niet zwichten voor de oude dode wereld van geld is god of welk bewind dan ook

waar wij elkaar behoeden en doen leven waar laatsten eersten zijn, daar woont hij in.

Weest daarom een van harte en van hoop, de geest bestiert uw intiemst verlangen:

een nieuwe aarde in gerechtigheid waar brood en liefde is genoeg voor allen.

Geliefden , nooit heeft iemand God gezien. Wie naar de liefde leeft, zal in Hem wonen.

 

Uitleiding                                                                                                                                     

4 things to know about New Zealand Prime Minister Jacinda Ardern Misschien is het na al deze overwegingen over identiteit en een inclusieve samenleving goed om heel kort enkele beelden te tonen van iemand die daar vandaag op haar manier aan bouwt.

Jacinda Ardern is eerste minister in Nieuw-Zeeland. Een groot eiland waarin zich heel verschillende maar ook gelijkaardige samenlevingsfenomenen voordoen als in Europa. De armoedekloof, de achteruitstelling van bevolkingsgroepen, in casu de Maori, een schrijnend gebrek aan woningen, de toenemende diversiteit van de bevolking, racisme, de klimaatsproblematiek, nu ook covid-19, enz…. Sommigen kennen het land misschien van zijn prachtige natuur die in beeld werd gebracht door Wouter Deboot die na  Australië ook Nieuw-Zeeland met zijn fiets doorkruiste. Het voorbije jaar bereikte ons twee maal heel tragisch nieuws over Nieuw-Zeeland. Een eerste keer toen in maart 2019 in Christchurch een Australische man met een machinegeweer in twee moskeeën mensen tijdens het gebed neerknalde. In totaal vielen er 51 doden en 40 gewonden. De minister voelde zich als moderne en modieuze vrouw niet te beroerd om uit respect voor de moslimgemeenschap in rouw, een hoofddoek aan te doen toen ze naar hen toeging en de uitvaarten bijwoonde. En dan in december toen bij een vulkaanuitbarsting op één van de kleinere eilanden een groep toeristen moest geëvacueerd worden en er uiteindelijk ook 19 slachtoffers vielen.

Bij heel wat officiële gelegenheden tooit de eerste minister zich in de traditionele klederdracht van de Maori. Een teken van erkenning van de waardigheid van deze vaak achtergestelde bevolkingsgroep. Dat het niet enkel om symboolpolitiek gaat moge blijken uit de samenstelling van de ministerraad waarin evenveel vrouwen als mannen, hetero’s en homo’s,  verschillende bevolkingsgroepen en strekkingen present zijn. Het meest opvallende is de Maori-minister voor Buitenlandse Zaken.

Zwak met de zwakken, Jood met de Joden, Griek met de Grieken, Zijn levend lichaam worden. Het is te doen.

 

Uitnodiging aan tafel

Vanuit verschillende huiskamers verbinden wij ons om samen te vieren wat Jezus ons voorleefde: delen van het levensnoodzakelijke voor iedereen: voedsel en drinken. We verbinden ons ook met onze dierbare overledenen en steken licht aan voor hen. En we verbinden ons met alle mensen die met ons Zijn levend lichaam willen worden in woord en daad en steken het kaarsje aan van solidariteit.

Groot Mysterie,

We bidden om licht
zodat we kunnen zien het goede dat gebeurt en ons hoop geeft,
en ook de vragen van de mensen die onze broers en zusters zijn;

We bidden om de stem te horen
en toe te laten dat die als een specht op ons gehoorbeen klopt,
maar ook Uw woord dat aanhoudt en ons draagt.

We bidden voor alle mensen voor wie we zorgen en ons verantwoordelijk voelen
en ook voor allen die we nog niet kennen, dat ze ons niet onverschillig laten. Amen

We delen samen brood en wijn
om ons te sterken in ons geloof en handelen,
we stellen voor dat je dit ook bij jou thuis doet, samen met ons.

Zingen we het tafelgebed Rondgang bij het delen:

 

Slechts het brood dat wij te eten gaven zal ons verzadigen.

Slechts de gevangene die wij verlosten zal ons bevrijden.

Slechts het gewaad dat wij wegschonken zal ons bekleden.

Slechts de zieke die wij bezochten zal ons genezen.

Slechts het water dat wij te drinken gaven zal ons verkwikken.

Slecht het woord dat leed verzachtte zal ons troosten.

 

Tafelgebed

De avond voor zijn dood, voor hij zelf gebroken werd,
gaf Jezus zijn vrienden een teken van leven.

Hij zegende brood, dankte en brak het.

als brood gebroken wordt, zei hij,
dan wordt liefde uitgedeeld, dan worden mensen gered en bewaard.

Doe dit ook, vergeet elkaar niet, laat me jullie nabij zijn in dit brood.

Hij nam een beker met wijn, dankte opnieuw en liet hen drinken.

Jullie dorst is groot, zei hij, dorst naar erkenning,
naar gerechtigheid, lichaamsdorst.

Geef elkaar te drinken, zoals het bloed het lichaam te drinken geeft.

Zo heb ik jullie liefgehad, als mijn bloed.

Drink van mij, vergeet mij niet, laat me jullie nabij zijn.


Onze Vader

Vredeswens 

Zegening

“Ik heb een droom vandaag!

Ik heb een droom dat op een dag elke vallei verhoogd zal worden,
en elke heuvel en berg geslecht zal worden,
het ruige land vlak gemaakt zal worden en de rotsige plaatsen recht;
“en de luister van de Heer zal zich openbaren en al wat leeft zal het samen zien.” 

Dit is onze hoop en dit is het geloof waarmee ik naar het Zuiden terugkeer.

Met dit geloof kunnen we uit de berg van wanhoop een steen van hoop houwen.
Met dit geloof kunnen we de schrille wanklanken van onze natie omvormen
tot een prachtige symfonie van broederschap.
Met dit geloof kunnen we samen werken, samen bidden,
samen strijden, samen naar de gevangenis gaan,
samen opkomen voor vrijheid,
en weten dat we op een dag vrij zullen zijn.

En dat zal de dag zijn —
dat zal de dag zijn dat alle kinderen van God een nieuwe zin geven aan het oude lied:

Mijn land, het is van u, heerlijk land van vrijheid, van u dat ik zing.
Land waar mijn vaderen stierven, land, trots van de Pelgrims,
Laat van elke berghelling vrijheid klinken! 

En als dit gebeurt, wanneer we vrijheid laten klinken,
wanneer we haar laten klinken uit elk dorp en elk gehucht uit elke staat en elke stad,
zullen we de dag verhaasten waarop alle kinderen van God,
zwarten en blanken, joden en niet-joden, protestanten en katholieken,
de handen ineenslaan en de woorden zingen van de oude negro-spiritual:

Eindelijk vrij! Eindelijk vrij!
Dank zij God, wij zijn eindelijk vrij! 

(Martin Luther King)

 

Ria zingt onze viering uit met een zegenwens

De Levende zegene en behoede u.

De Levende doe zijn aangezicht over u lichten,

en zij u genadig. De Levende verheffe zijn

aangezicht over u, en geve u vrede.

Zegen ons en behoed ons,

doe lichten over ons uw aangezicht

en wees ons genadig.

Zegen ons en behoed ons,

doe lichten over ons uw aangezicht

en geef ons vrede.

 

 

*

Blijf verbonden met de gemeenschap van Dominicus Gent:
via de nieuwsbrieven: https://www.dominicusgent.be/nieuwsbrief/
via Facebook ( https://www.facebook.com/Dominicus-Gent-324436994242688/)
Abonneer u nu op ons Youtube-kanaal ( https://www.youtube.com/channel/UCBCXMCRb0cNw8Dd3tMc9elQ)

Indien u meent dat voor een bepaald object het auteursrecht van de auteur of zijn/haar erfgenamen, of het recht op afbeelding geschonden werd, neem dan contact op met ons zodat de situatie kan worden rechtgezet.