Inspirerende dominicanen: Meester Eckhart

Zondag 3 april 2016 – Dominicus Gent
“Inspirerende dominicanen – Meester Eckhart”

 

Deze viering heeft een handleiding nodig, hoewel er voor de ‘prediker’ van vandaag zelf geen voorhanden is.

Waarom is beloken Pasen zo bijzonder voor deze gemeenschap? Op die dag, 34 jaar geleden startten een groep KUC-ers samen met enkele bijzondere predikbroeders met de zondagsvieringen. Kritisch op zoek naar een kerk die dichter bij het leven stond, en dat uitdrukkend in een liturgie die ook dichter bij het leven stond.

Deze beweging – Dominicus Gent – waarin we vandaag nog ten volle staan, is ingebed in een dominicaanse traditie. Deze groep gaat samen de weg van zoekend spreken, van verstand naast het hart, van midden in de wereld staan. De naam van deze beweging staat niet alleen voor het besef van een identiteit, maar natuurlijk ook voor de dankbaarheid voor wat de paters dominicanen al die jaren met en voor ons hebben gedaan. De evangelielezing van vandaag over de Emmaüsgangers sluit aan bij deze typisch dominicaanse pedagogiek. Het op weg gaan, praten met elkaar, en ervaren hoe we Jezus en God in onze eigen tijd en cultuur een plaats kunnen geven.

Daarom is het vandaag OBD-dag. Onbekendedominicanendag. Bekende dominicanen (BD-ers) zijn voor mij Ignace en Bernard en ook nog Guus, Jos, Gerard… Maar Meester Eckhart? Die ken ik van naam, maar hij is voor mij nu nog een OBD-er, een Onbekende dominicaan. Niet zo voor Bernard, voor hem is Eckhart een BD-er.

Ik gebruikte ongegeneerd het woord prediken. Het is één van de 3 componenten uit het motto van de dominicanen. Laudare – Benedicere – Praedicare. En dat gaan we vandaag doen. Zingend loven, toegewijd elkaar zegenen en preken. Dat laatste zal Bernard doen. Toe, ja, het mag… voor één keer. Op deze feestdag van Dominicus Gent.

Maar laten we eerst de paaskaars aansteken, licht als beeld van de onnoembare, het onuitsprekelijke vuur in ons diepste zelf.

Meester Eckhart

Ik was eerst van plan omstandig te vertellen over het leven van meester Eckhart en over zijn tijd. Ik ga dat niet doen, maar er alleen het hoogstnoodzakelijke over zeggen om des te meer tijd te hebben voor zijn boeiende mystieke gedachten die tot op vandaag veel mensen kunnen begeesteren.

Eckhart was een middeleeuwse dominicaan uit oostelijk Duitsland (geboren in 1260 en gestorven in 1328). Het is een tijd van spirituele dynamiek in Europa. De steden zijn in volle opkomst en worden centra van cultuur, economie en religie. De theologie en de filosofie verhuizen van de abdijen naar de universiteiten in die steden, waar ook de dominicanen hun kloosters bouwen. De jonge orde wordt gekenmerkt enerzijds door een terugkeer naar het voorbeeld en de beleving van de arme, rondtrekkende Jezus die goed deed en het Rijk Gods verkondigde, en anderzijds door het zoeken naar waarheid via de opbouw van een grieks-filosofisch onderbouwde theologie ten dienste van de mensen. Die twee kenmerken werden letterlijk ‘in-gebed’, m.a.w. ze werden in het dagelijks leven gedragen door gebed en contemplatie. In die orde trad Eckhart van Hochheim met groot enthoesiasme in. Nog even zeggen dat hij in de orde bestuurlijke, geestelijke en onderwijzende functies combineerde, en dat hij nà zijn dood door Johannes XXII, een paus van Avignon, werd veroordeeld omwille van ketterij. De geschriften van Eckhart, samen met die van de dominicanen Johann Tauler en Heinrich Seuse zijn vooral bekend onder de benaming ‘Rijnlandse mystiek’.

Meester Eckhart was op de eerste plaats een begenadigd predikant, een echte predikbroeder. Hij commentarieerde in zijn volkstaal, het Duits, de heilige Schrift. Als lezing kiezen wij hier elk jaar op Beloken Pasen – dat is de dag waarop onze Dominicus-gemeenschap verjaart – het verhaal van de Emmaüsgangers. Welnu, die lezing kan niet beter passen als we het hebben over de predikende Eckhart. Want, zoals Kees Fens ooit zei, de eerste preek uit het christendom werd op Beloken Pasen gehouden, op de weg tussen Jeruzalem en Emmaüs. Jezus is de prediker. Hij ontsluit voor de twee leerlingen de Heilige Schrift door de teksten te plaatsen in wat zij nu in hun concrete leven meemaken aan verdriet, ontgoocheling en verwarring; hij maakt bovendien via die teksten duidelijk hoe hij zichzelf verstaat en laat dat ook aan de Emmaüsgangers zien. Dat zal tot op vandaag de essentie van de prediking blijven. Laten we eerst luisteren naar het verhaal van Lucas.

 

Bijbellezing Lucas 24, 13 – 35

Juist op die dag waren twee van hen op weg naar het dorp Emmaüs, dat zestig stadiën van Jeruzalem ligt. Ze spraken met elkaar over alles wat voorgevallen was. Terwijl ze met elkaar in discussie waren, voegde Jezus zelf zich bij hen en liep met hen mee. Maar hun ogen waren niet bij machte Hem te herkennen. Hij sprak tot hen: ‘Waarover lopen jullie zo druk met elkaar te praten?’ Met sombere gezichten bleven ze staan. Een van hen, die Kleopas heette, gaf Hem ten antwoord: ‘Bent U dan de enige inwoner van Jeruzalem die niet weet wat daar de afgelopen dagen is gebeurd?’ ‘Wat dan?’ vroeg Hij. Ze zeiden Hem: ‘Wat er gebeurd is met Jezus van Nazaret. Hij was een profeet, machtig in woord en daad in de ogen van God en van heel het volk. Onze hogepriesters en leiders hebben Hem overgeleverd om Hem ter dood te laten veroordelen, en ze hebben Hem zelfs gekruisigd. En wij hadden zo gehoopt dat Hij het was die Israël zou verlossen, maar inmiddels is het al de derde dag sinds dat gebeurd is. Wel hebben enkele vrouwen uit onze kring ons versteld doen staan. Die waren vanmorgen vroeg naar het graf gegaan en toen ze zijn lichaam daar niet aantroffen, kwamen ze terug met het verhaal dat ze ook nog een verschijning hadden gehad van engelen die zeiden dat Hij leeft. Een paar van ons zijn toen naar het graf gegaan en het bleek zo te zijn als de vrouwen gezegd hadden, maar Hem hebben ze niet gezien.’ Toen zei Hij tot hen: ‘Wat zijn jullie toch onverstandig en traag van begrip als het gaat om het geloof in alles wat de profeten hebben gezegd! Moest de Messias niet zo lijden en dan zijn heerlijkheid binnengaan?’ En Hij legde hun uit wat in heel de Schrift op Hemzelf betrekking had, te beginnen bij Mozes en alle Profeten. Toen ze bij het dorp kwamen waar ze moesten zijn, deed Hij alsof Hij verder wilde gaan. Maar met aandrang vroegen ze: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt al ten einde.’ Toen ging Hij mee naar binnen om bij hen te blijven. Eenmaal met hen aan tafel nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun. Nu gingen hun de ogen open en ze herkenden Hem, maar meteen was Hij uit hun gezicht verdwenen. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Was het niet hartverwarmend zoals Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons opende?’ Meteen stonden ze van tafel op en gingen terug naar Jeruzalem; daar vonden ze de elf en hun metgezellen bijeen. Die zeiden: ‘Waarachtig, de Heer is opgewekt, aan Simon is Hij verschenen.’ Toen vertelden zij wat er onderweg was gebeurd en hoe ze Hem hadden herkend bij het breken van het brood.

 

Wat onthoud ik van Eckhart? Vooral hoe hij spreekt over God. Eckhart maakt een onderscheid tussen aan de ene kant God zoals we die via onze opvoeding hebben leren kennen, over wie ik kan spreken en discussiëren, en aan de andere kant de Godheid, God die aan dat alles voorafgaat. De Godheid is God in zijn verborgenheid, maar ook God zoals Hij zich helemaal en radicaal wil tonen in de grond van mijn menselijke ziel, God die, als ik al het gekende loslaat, zich openbaart als een louter Niets, als Stilte. Tussen deze twee – God en de Godheid – is een afstand als tussen hemel en aarde, schrijft Eckhart. God ervaren, tot Hem bidden en zich inzetten voor zijn rijk is belangrijk, essentieel, maar het is niet voldoende. Daarom moet ik eerst doorprikken wat ik geleerd heb en zogenaamd weet. Dus God is niet goed, niet barmhartig, God is geen persoon. Dat alles zijn menselijke voorstellingen die Hem verduisteren. Het is dan alsof we een doek over God gooien en Hem door onze woorden beletten zich te tonen zoals Hij werkelijk is. Vandaar deze ‘via negationis’. De weg van de ontkenning.

Je zou het kunnen vergelijken met wat gebeurt in onze dagelijkse relaties wanneer we plots loslaten wat we van elkaar menen te weten. Meestal kan pas dan het echte gesprek beginnen. We komen dus niet op een hoger spiritueel niveau, aldus Eckhart, door ons meer in te spannen of door meer te bidden, maar omgekeerd door los te laten en ruimte te maken. Slechts dan kan God vanuit zichzelf verschijnen en is er ruimte waarin Hij zelf een plaats in ons gereed kan maken, waar Hij kan geboren worden. Maar over die God als Godheid bestaat geen kennis, Hij openbaart zich niet als hoogste filosofisch principe, noch als Koning van het heelal aan wie heel de schepping onderworpen is, maar als de Onnoembare, als Licht, als louter Niets. Over die God kun je slechts zwijgen.

Ik zei daarnet dat God zich radicaal wil tonen in de grond van mijn menselijke ziel. Wat betekent dat? De ziel is in Eckharts taal de mens in haar ware zijn, ziel noemt de mens bij zijn ware naam: wie hij, zij in de grond is. Het gaat hier niet over de ziel inzoverre zij studieobject is van de psychologie, noch over de menselijke geest als bezitster van kennis, wetenschap en inzicht. De ziel hier is de eigenlijke mens en die is even onuitsprekelijk als God zelf, zegt Eckhart, de ziel is één groot mysterie. Je kan haar niet voorstellen. Eckhart heeft er dan ook haast geen woorden voor en dat niet vanwege gebrek aan taalvaardigheid. Hij spreekt van ‘iets in de ziel’. Ik citeer: “Er is iets in de ziel, dat een en al geheim en verborgen is; iets dat ver boven die plek ligt waar de vermogens van verstand en wil uit de ziel uitbreken… Wat de ziel in haar grond is, daarvan weet niemand iets.” Einde citaat. Welnu, als de mens het spoor naar zijn ziel volgt, aldus Eckhart, vindt hij daar God, sterker: daar is God en hijzelf aan elkaar geboren, nóg sterker: daar is de mens aan God gewaagd en even krachtig, meebarend en ontelbaar vrucht voortbrengend als God zelf.

Opdat die godsgeboorte plaats zou kunnen hebben – opdat God in mijn leven kan binnentreden, of beter nog, opdat God zichzelf zou kunnen worden in mij – is van mij uit een houding van afscheid en loslaten noodzakelijk. Meestal passen wij mensen de werkelijkheid aan onze behoeften aan. We beheersen ze door ons kennen en via de techniek, om ze vervolgens te gebruiken in een ongebreidelde consumptie. Dat is slechts mogelijk omdat we ons los hebben gemaakt van de werkelijkheid en erboven zijn gaan staan als eenzame, bange wezens die moeten leven met een onvervulbare leegte. Gelatenheid is de omgekeerde beweging. Gelassenheit, je kunt dat woord nog het best weergeven met ‘eindeloos weerhouden’ of ‘wachtende openheid’. Het is een houding waardoor we de wereld en de dingen herstellen in hun eerste vrijheid en waardoor we zelf terug een klein deeltje worden van het grote geheel. Naar God toe is het een houding waardoor we alles durven loslaten wat we over Hem geleerd hebben. Voorbij God doorstotend naar de Godheid. God omwille van God loslaten.

Er heeft dus een dubbele beweging plaats: een doorbraak naar de kern van onze persoon en tegelijk het doorstoten naar God. De twee bewegingen roepen elkaar op. De godsgeboorte is niets anders dan de verbondenheid tussen onze uiteindelijke openheid en Gods Niets of Stilte. “Hij werkt en ik word”, schrijft Eckhart. Verbonden met deze houding van gelatenheid is ook ‘een leven in het Nu’ en ‘een leven zonder waarom’.

Eckharts mystiek kent ook een bijzondere visie op engagement. Zijn preken over ‘maagd’ en ‘vrouw-zijn’ zijn in dat opzicht heel bijzonder. Meestal doen wij aan caritas of zijn we geëngageerd vanuit een bepaalde optie, een maatschappelijke visie, een waardensysteem. Dat alles vindt Eckhart heel waardevol. Maar het gebeurt steeds vanuit ons ik, volgens een bepaalde bedoeling, volgens aangeleerde patronen. Men is dan slechts vruchtbaar zolang men afhandelt wat men van plan was. Het is de beperkte vruchtbaarheid zoals van echtparen die één kind per jaar ter wereld brengen, schrijft hij. Wie tot verbondenheid met de Godheid komt, groeit naar een andere betrokkenheid en vruchtbaarheid. Betrokkenheid wordt dan meer uitstromen zoals ook de Godheid continu uitstroomt in haar schepping. Niet vanuit het hoofd, maar vanuit de buik gaat de mens zich verbonden voelen met heel de kosmos en wordt hem een mens aan de andere kant van de wereld even nabij als zijn eigen familie. Daarom zegt Eckhart in dezelfde preek waar hij spreekt over ‘maagd-zijn’ dat het nog edeler is “vrouw te zijn”. Daarmee bedoelt hij dat we zo moeten doordringen tot ons diepste zelf dat ons engagement iets wordt van een continue vruchtbaarheid.

Daarmee is de cirkel rond. Wat begint als een persoonlijk zoeken naar een werkdadige en gelukkig makende relatie met God, evolueert via een afbraak van wat ik over God weet, naar het ontdekken van mijn eigenlijke zielengrond en zo van de geboorte van God in de kern van mijn persoon. Die doorbraak in de diepte van mezelf samen met de hoogte van de Godheid veroorzaken ook een doorbraak in de verte naar de ander. Of zoiets, zou Eckhart zich haasten eraan toe te voegen…

Eckhart wordt tegenwoordig graag gelezen, omdat zijn mystiek een manier aanreikt om onszelf te verstaan als een verlangen naar datgene wat we ervaren als afwezig. De dichter Gerrit Achterberg heeft een kort gedicht geschreven dat als een mooie echo van Eckharts mystiek klinkt.

Ik kan alleen woorden ontmoeten, u niet meer,
maar hiermee houdt het groeten aan, zozeer
dat ik wel moet geloven dat gij luistert,
zoals ik, omgekeerd, uw stilte in mij hoor.

De u uit dit gedicht is de gestorven geliefde of de geliefde die weg is, afscheid heeft genomen. De dichter (ik) probeert opnieuw contact met de u te krijgen. Het is duidelijk dat hiervoor de grenzen van de tijd, de ruimte, en de tastbare werkelijkheid moeten overschreden worden. De geliefde is lichamelijk niet meer te bereiken. ‘Ik’ kan alleen nog maar woorden ontmoeten, het spreken, de taal die het mogelijk maken dat de geliefde ‘u’ zich in stilte manifesteert. De u kan ook God zijn. En dan mag ik het gedicht lezen vanuit het besef dat ik eerst God omwille van God moet loslaten. En als dat gebeurd is, als ik mij restloos heb durven over te leveren aan die pijnlijke situatie zonder uitzicht, namelijk dat ik alleen nog woorden kan ontmoeten – uw uitstromende schepping door het woord – en U niet meer, God, pas dan kan wellicht datgene gebeuren waarvan Eckhart en Achterberg getuigen. Het groeten houdt aan, zozeer, dat ik wel moet geloven dat Gij luistert, zoals ik, omgekeerd, Uw stilte in mij hoor. In de paradox dat ik Uw stilte in mij hoor zijt Gij aanwezig, God. Nu word jij jezelf in mij.

Paul Rodenko zei ooit: “Achterbergs worsteling om het definitieve woord, om de redding van de geliefde, is tevens een worsteling om God.” Ik zou zeggen: “Eckharts worsteling om God, is tevens een worsteling om het scheppende woord, de uitstromende liefde die iedereen wil aanraken”. Ik hoor als het ware Eckhart met ons meeneuriën terwijl we nu dit prachtige gedicht zingen.

(Bronnen: Marcel Braekers, Mystieke preken, in DL; Bernard de Cock, Tasten naar hoop, GGG)

 

Vrije inbreng

Tijd voor een ander dominicaans principe. Contemplare et contemplata aliis tradere. Beschouwen en het beschouwde aan anderen doorgeven. Het is nu tijd voor uw inbreng, voor stilte of gebed waarin je jouw jarenlange of prille ervaring met Dominicus Gent kan delen.

 

Uitnodiging tafeldienst

Net zoals de Emmaüsgangers gaan ook wij aan tafel. Het is een bijzondere tafel. De tafel van deze gemeenschap waaraan we onze verbondenheid uitdrukken met wie er vandaag niet kunnen bij zijn. En ook in het bijzonder met hen die ons voorgingen en deze gemeenschap mee hebben geboetseerd. Verbonden met de jubilerende dominicaanse familie wereldwijd. Verbonden en solidair met iedereen die zich inzet voor het realiseren van een visioen van vrede en gerechtigheid. We gaan aan tafel met als hoofdgast de verrezen Jezus, en herinneren ons nu zingend wat de Emmaüsgangers overkwam, ’s avonds aan zo’n tafel.

De ogen van de Emmaüsgangers
werden geopend
door het gebaar
van Jezus aan tafel.
Door dat gebaar
herinnerden zij zich
de laatste maaltijd met Jezus.
Ze herinnerden zich
dat hij die laatste avond van zijn leven
met vrienden samen,
deed hij wat hij altijd gedaan had.
Hij nam brood om te delen en zei:
Zo ben ik. Gebroken.
Mijn leven is het,
gegeven in uw handen.
Neem het aan.
Hij nam een beker met wijn.
Hij dankte God, Zijn Vader,
die in hem voltooide
wat sinds mensenheugenis
begonnen was.
En zei: Dit is de beker
van Gods verbond met elke mens.
Mijn trouw en liefde voor u allen
en het lijden dat ik moet doorstaan,
zijn er het teken van.
Drink hiervan.
Denk aan mij
telkens gij hiervoor samenkomt
En leef zoals ik u heb voorgedaan.

Zo zijn we hier nu ook bijeen,
ons herinnerend wie Jezus was.
Knecht, lam, herder,
ware wijnstok, levend brood.
Zon, poolsneeuw, waterval,
Komende Levende.

Zingen we nu samen tot zijn en onze Vader.

Onze Vader

Vredeswens 

In het liedboek staat hier en daar een stempel met het logo van Dominicus Gent. Het is geïnspireerd op het labyrint in de kathedraal van Chartres. Het symboliseert de weg die ieder van ons gaat. Een weg naar binnen, een heenreis, een terugreis… Een individuele weg, maar een waar je toch nooit alleen bent… Het is gemeenschap die uitgedrukt wordt in onze vredeswens.

Communie

De disgenoten

Het simpele gerei,
het brood, dat is gesneden,
de stilte, de gebeden –
Want de avond is nabij.

Uit tranen en uit pijn
dit samenzijn verkregen:
bij sober brood de zegen
twee in úw naam te zijn.

Waar aan de witte dis
uw teken wordt beleden
verschijnt Gij-: ‘u zij vrede’.
gij Brood – gij Wijn – gij Vis.

Ida Gerhardt (1905-1997)

……

‘k Zocht U altijd buiten mij,

tot het leven mij verwondde,

en ik U, o zaalge stonde,

in mij zelven heb gevonden.

Felix Timmermans

Lees ook op deze site het essay van Marcel Braekers over Eckhart (6 febr 2015) :

http://www.dominicusgent.be/2015/02/06/leven-zonder-waarom-meester-eckhart-over-het-goede-leven-marcel-braekers/