Waar sta ik?

Dominicus Gent

Viering van zondag 3 september 2017

Waar sta ik? Hoe hou ik mij staande?

 

Ik mag u van harte welkom heten in de zondagsviering, de eerste viering van september – een nieuw schooljaar maar nog geen nieuw werkjaar hier in Dominicus. We dobberen nog een beetje verder in vakantiemodus, dat wil zeggen nog geen themavieringen over meerdere zondagen.

Vandaag lieten we ons inspireren door enkele verzen van de profeet Jeremia. Verzen die ons vertellen over trouw blijven aan je roeping maar ook over angst, ontmoediging en vijandschap.

Met de stem van God in zijn hart gaat Jeremia de weg. Diezelfde Stem roept ons hier deze morgen bijeen. Laten we het licht aansteken en bidden om Aanwezigheid.

 

Wees hier aanwezig 
Woord ons gegeven
dat ik U horen mag
met hart en ziel

 

Overweging

Iedereen zegt wel eens: ‘nu ben ik het beu!’ In die emotie klontert van alles samen: moeheid, ergernis en teleurstelling. De oorzaak: overwerk of stress, tegenkanting of spot, zich afgewezen weten of niet erkend in zijn eerlijkste bedoelingen. Soms gaan we dan voor kortere of langere tijd mokkend aan de kant van het speelveld staan; misschien tot iemand ons, lachend, een bal toespeelt en we – een beetje beschaamd en opgelucht – toch weer meedoen.

Maar beuheid kan mij ook dieper raken, alsof ik door een voltreffer in puin ben geschoten. Mijn zelfvertrouwen in wat ik doe en mijn manier van bestaan zelf zijn dan bedreigd. Waar ik me ook vertoon, ligt een sluipschutter op de loer. Om te overleven en openlijke spot en vervolging te vermijden moet ik zwijgen of tactisch-diplomatisch spreken en schrijven, of me verbergen in een bunker, of definitief vluchten.

Zijn die oorlogsbeelden overdreven om de spanning te schetsen waarin sommige mensen die naar gerechtigheid, solidariteit en vrede streven te leven hebben? Kritische journalisten, mensenrechtenactivisten, milieu verdedigers weten ervan mee te spreken.

Geëngageerd leven, kritisch na-denken, op de barricades staan in wat voor maatschappelijke sector ook, (politiek, kerk, economie, milieu, kunst, noem het maar) vergt een bijzondere levenshouding. In een vijandige dampkring is aan de buitenkant een stevig hitteschild nodig om niet op te branden; en om niet tot een cynisch blok graniet te verstenen moet de binnenkant veerkrachtig en zachtmoedig blijven.   

De aanleiding voor deze overweging is die heerlijke tekst van Jeremia uit de zondagsliturgie van vandaag.

 

Lezing: Jer. 20, 7 – 9;

De profeet Jeremia bad als volgt: Heer God, Gij hebt mij verleid, ik ben bezweken; Gij waart mij te sterk. Ik kan niet tegen u op. De hele dag lacht men mij uit, iedereen drijft de spot met mij. Telkens als ik het woord neem moet ik schreeuwen, ‘geweld en onderdrukking’ roepen. Het woord van de Heer brengt me iedere dag schande en smaad. Soms denk ik: ik wil er niets meer van weten, ik spreek niet meer in zijn naam. Maar dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente. Ik doe alle moeite om het in bedwang te houden, maar het lukt me niet.


Jeremia was als profeet actief rond het jaar 600 voor onze tijdrekening. Koning en leiders van Juda en Jerusalem stonden onder zware druk door de veroveringstochten van Babylon. Daarom zochten ze steun bij Egypte. Maar dat zorgde voor nog hardhandiger optreden van de Babyloniërs: strooptochten, gijzelaars wegvoeren, moordpartijen, noem het.  Slot van het verhaal: in 586 vC. verwoesten ze Jerusalem en de tempel en een groot deel van de bevolking voeren ze weg in ballingschap.

In die twintigjaar durende oorlogssituatie treedt Jeremia op.

En het uittreksel dat we daarnet hoorden, maakt duidelijk dat het niet zomaar een baaldag is die hem tot dit gebed inspireert. Een doktersbriefje voor een paar dagen werkonbekwaamheid is niet de remedie. De verzen die aan onze tekst voorafgaan vertellen dat de profeet een dag en een nacht in het blok is gezet en met een stok is afgeranseld. Hij wil er de brui aan geven, stoppen met ieders zot te zijn, uitgelachen te worden, tegen de machthebbers in te gaan. Genoeg is genoeg: ‘trop’ is teveel.

Maar: hij kan het niet. Zijn opdracht is groter en sterker dan hemzelf, die brandt als een vuur in hem.   

*

Hoe zit het met het vuur in ons?

Dat brandt nog steeds, anders zouden we hier, op zondagmorgen niet bijeen zijn. Waar halen we de olie voor die vlam?

Hoe komt het dat we niet ontmoedigd zijn geraakt?

Want wij zijn mensen, die, zoals men het vandaag uitdrukt, ‘toch nog’ geloven. Toch nog. Desondanks, desalniettemin met verouderde woorden.

*

Elk van ons heeft natuurlijk zijn eigen levensgeschiedenis. Maar, zijn er gemeenschappelijke kenmerken bij mensen die in de tegenstroom toch staande blijven? Ik denk het wel. Niet enkel christenen, ook zij die hun toekomstbeeld van gerechtigheid en vrede een andere naam geven dan ‘Rijk Gods’, leven in die spanning.

Laat ons ervan uitgaan dat we als jongere ooit geraakt zijn door een toekomstbeeld over onszelf en de wereld. Iets ‘pakte’ ons: een overtuiging, een visie, een ontwerp. Daarin liepen verbeelding en realiteit nog sterk door elkaar. Het was een mengeling van onbewust zelfbedrog en een te roze model van de mensenwereld. Maar, dat ideaal, want zo noemden we dat, trok ons mee; het mobiliseerde onze emotie, ons verstand en wil: het is groter dan onszelf, het ligt in de toekomst, en we zijn er een deel van. 

En ja, die jeugdige overmoed, die branie zelfs, is positief als we kunnen leren van de blutsen en de builen.

Zo komen we tot ‘realiteitszin’. Zegt men. Maar wat een afschuwelijk dubbelzinnig woord is dat: realiteitszin. Voor sommigen betekent het: zich aanpassen aan de bestaande toestand, wrijvingsloze inschakeling in het statusquo, zgn. ‘gezond verstand’ dat zich neerlegt bij de conventies en de ongereflecteerde zekerheden over mens en samenleving. Meelopen in de stoet van de verdwaasde gedachteloosheid van de consumptieideologie.

Voor anderen is de realiteit alleen een springplank: hoe is de toestand vandaag en hoe kunnen we die in ons voordeel doortrekken naar de toekomst?

Nog anderen: profeten, heiligen, zien dat de realiteit veel mensen onderdrukt, hen niet toestaat in vrijheid volwaardig mens te worden; zij beseffen dat alleen een morele en maatschappelijke omwenteling, omkering, bekering, noem het revolutie, in staat is onze mensenwereld te redden. 

*

Waar sta ik?, kan ieder zich afvragen.

Duidelijk is waar Jeremia stond, en Jezus, en Paulus, en Damiaan, Bonhoeffer, Etty Hillesum, Romero…

Op zo een plek staande blijven is geen kwestie van razende ambitie of vechtlust om de wereld naar je hand te zetten. Daarmee beland je makkelijk in de waanzin, of je wordt een cynische overlever of trekt anderen mee in jouw wanhoopsdaad.

Want waar profeten en heiligen staan, gaat het al lang niet meer om jezelf, niet om succes, niet om beloning, niet om aanzien. Het gaat om de zaak zelf, niet om jou. Ook concurreren met je tegenstanders, hen veroordelen of overwinnen is er niet aan de orde. Vijanddenken vervalst ook je eigen zelfbeeld, het is geen strijd tussen goeden en kwaden. Want zgn. goeden en zgn. kwaden zijn verbonden in hetzelfde probleem: onze samen nog te voltooien menselijkheid.

*

Die menselijkheid houdt ook onze lichamelijke beperktheid in, in levenskracht, in ruimte en tijd. Volle inzet en alles los kunnen laten, moeten samengaan. En om te volharden is een groep, een open gemeenschap van gelijkgezinden waarin onderlinge verschillen positief worden gewaardeerd voor ons van levensbelang. We warmen ons aan het vuur van de ander, we steken elkaar aan met de Geest van Jezus. Laat ons dankbaar zijn om de vele verschillende vurige tongen in Dominicus . . .

 

Tot slot: enkel een bron die zoveel groter is dan onszelf, waarvan we ook drinken in ons persoonlijk gebed, schenkt ons de groeikracht om door te gaan met wat we begonnen zijn: Nada te turbe, . . . . solo Dios basta    Laat niets je verontrusten . . . . God alleen is genoeg.

(Nada te turbe is een gedicht van Teresia van Avila,
de bekende Spaanse mystica uit de 16e eeuw.

Nada te turbe, nada te espante,
quien a Dios tiene, nada le falta
Nada te turbe, nada te espante,
solo Dios basta
Laat niets je verontrusten,
laat niets je beangstigen:
Wie God heeft ontbreekt niets.
God alleen is genoeg.)

 

Inbreng gemeenschap

Waar sta ik ? Hoe houd ik mezelf staande in deze wereld ?

Wie of wat levert brandstof voor dat vuur waarvan sprake bij Jeremia?

Doorgaan waarmee we ooit begonnen zijn, waarmee iemand begonnen is …

Ondanks tegenspoed en uitzichtloosheid, onvermogen, moedeloosheid soms, toch verder doen en de moed niet opgeven. Niet om succes noch om eigen profijt te oogsten maar vanuit een kracht, groter dan mezelf. Iets – Iemand – stuwt me voort, zet me op weg naar een toekomst waar goed leven is, voor allen.

Zing, zeg ik tegen mijn hart. Maar ik kan het toch niet laten. Ik moet van u zingen, zolang ik leef.

Psalm 146. Het zijn voor mij dierbare woorden die ik soms mag meezingen in deze gemeenschap. Woorden die ik herken in het leven en werk van de Romero’s en de Damiaans van deze wereld maar evenzeer in mensen uit de buurt en de stad.

Het vuur dat in mij brandt wordt gevoed door wat ik zie aan inzet, geloof en vertrouwen van mensen dichtbij en veraf.

Laten we met elkaar delen wat ons bemoedigt, wat ons aanvuurt. Laten we mekaar vertellen over mensen of initiatieven.

Er is nu tijd voor inbreng, gebed, stilte.

 

Inleiding op het tafelgebed 

Het heilige vuur waarvan sprake bij Jeremia,
dat vuur leerde ook Jezus van Nazareth ons kennen.
In zijn leven en dood mogen we geloven
wat ons is aangezegd en voorgedaan: goed leven voor allen.

We gedenken allen die zich met onze gemeenschap verbonden weten,

de zieken, degenen die zorgend mensen nabij zijn,
zij die hier om wat voor reden niet kunnen aanwezig zijn.

We steken de kaars in verbondenheid met alle mensen die,
waar ook ter wereld,
het vuur brandend houden
en zich inzetten voor de minsten en de zwaksten.

En we gedenken onze lieve doden,
zij die ons voorgingen op de weg die leven geeft.
We noemen hier vandaag Dirk De Backer,
priester van het bisdom Gent,
die gisteren ten grave werd gedragen.

 

Gezegend zijt Gij, levende, scheppende God

Om Jezus van Nazareth.

Die op de vooravond van zijn sterven

met zijn vrienden aan tafel was.

Hij nam brood, dankte, brak het en deelde het uit

met de woorden:

Neemt en eet,

dit is voor u mijn lichaam,

mijn hele leven.

Ook voor de beker met wijn dankte hij

en gaf hem rond.

Dit is het teken van de nieuwe verhouding tussen God en mensen,

zei hij.

En drink hiervan tot mijn gedachtenis.

(foto G.Vanhercke: detail van schilderij Chagall: treurende profeet)